Omzetting van rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.4.3.2:5.4.3.2 Aanmerkelijkbelanghouder (standaardvoorwaarde 6)
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.4.3.2
5.4.3.2 Aanmerkelijkbelanghouder (standaardvoorwaarde 6)
Documentgegevens:
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS498927:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Standaardvoorwaarde 6 luidt als volgt:
‘Voor de aandeelhouders van de omgezette rechtspersoon, die direct voorafgaand aan de omzetting een aanmerkelijk belang hebben in de om te zetten rechtspersoon als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet IB 2001, wordt als verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21 van de Wet IB 2001 van de bij de omzetting verkregen aandelen aangemerkt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in de om te zetten rechtspersoon.’
Het coöperatielid dat op grond van art. 4.5a juncto art. 4.6 onderdeel c Wet IB 2001 een aanmerkelijk belang heeft in de coöperatie wordt als gevolg van de omzetting van de coöperatie in een BV geconfronteerd met een fictieve vervreemding van zijn met winstbewijzen gelijkgestelde lidmaatschapsrechten (zie par. 5.3.2.3 hiervóór). Standaardvoorwaarde 6 houdt in dat de fictieve vervreemdingswinst achterwege blijft en de aanmerkelijkbelangclaim doorschuift naar de voor de lidmaatschapsrechten in de plaats gekomen aandelen. De verkrijgingsprijs ex art. 4.21 Wet IB 2001 van het verkregen aanmerkelijk belang in de BV ex art. 4.6 onderdeel a Wet IB 2001 wordt vervolgens gesteld op de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in de coöperatie. De staatssecretaris merkt in onderdeel 3a van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 op dat de verkrijgingsprijs wordt verhoogd met het bedrag aan kapitaal dat de voormalige leden thans aandeelhouders eventueel bij de omzetting vanuit hun privévermogen hebben gestort.
De vraag rijst wat geldt als het op de aandelen in de BV gestorte kapitaal vanwege de mogelijkheid van een onbelaste teruggaaf van wat op aandelen is gestort ex art. 4.13 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001. De staatssecretaris heeft in het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 een afzonderlijke standaardvoorwaarde opgenomen betreffende de vaststelling van het gestorte kapitaal, te weten standaardvoorwaarde 4. Deze voorwaarde bespreek ik uitgebreid in paragraaf 5.5.3 en houdt in dat als gestort kapitaal wordt aangemerkt het door de leden als zodanig in de coöperatie ingebrachte vermogen. Hoewel ik in paragraaf 5.5.3 hierna niet uitsluit dat deze standaardvoorwaarde onverbindend is voor de heffing van dividendbelasting, meen ik dat de standaardvoorwaarde met het oog op een onbelaste teruggaaf van aandelenkapitaal ex art. 4.13 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 het gestorte kapitaal op het juiste bedrag vaststelt. In feite bewerkstelligt standaardvoorwaarde 4 een doorschuiving: hetgeen is ingelegd door de leden van de coöperatie geldt als gestort kapitaal bij de BV. De vóór de omzetting bestaande mogelijkheid om op de voet van art. 4.5a juncto art. 4.13 onderdeel d Wet IB 2001 de leden onbelast hun inleggeld terug te betalen, wordt derhalve geconverteerd in een vergelijkbare mogelijkheid om de aandeelhouders onbelast kapitaal terug te betalen. Terecht merkt de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 3a van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 verder op dat als de leden/aandeelhouders vanuit hun privévermogen bij de omzetting een kapitaalstorting doen, deze storting het gestorte kapitaal van de BV verhoogt.