Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.1
7.6.1.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291401:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 19.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 24.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 27-28.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 33.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 35.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 138.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 138.
Toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een Zesde Richtlijn, V-N 1973/18A, p. 758.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 16 juni 1976, nr. T/497/76 (FIN), p. 7bis.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), deel II, p. 19.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 16 juni 1976, nr. T/497/76 (FIN), p. 7bis en bijlage I bij de Nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN), p. 3.
Memorandum van de Groep financiële vraagstukken van 19 juli 1976, nr. T/595/76 (FIN), punt 8, p. 7.
Onder vigeur van de Tweede Richtlijn werd er door verschillende lidstaten btw geheven ter zake van de verhuur van tijdelijke verblijfplaatsen in de recreatieve sector. In België was het ‘verschaffen van gemeubeld logies door de exploitant van een hotelinrichting’ en meer in het algemeen ‘alle vormen van verhuur in het hotelbedrijf en aanverwante bedrijfstakken’ aan btw-heffing onderworpen.1 In Duitsland werd btw geheven ter zake van de ‘verhuur van tijdelijk onderkomen in daartoe bestemde vertrekken of kamers door een ondernemer aan vreemdelingen’.2 Frankrijk merkte de ‘verhuur van gemeubileerde ruimten (door beroepsverhuurders of particulieren) en de verstrekking van onderkomen’ alsmede ‘de verhuur van al dan niet gestoffeerde ruimten indien dit voor de verhuurder een aanwending van zijn bedrijfskapitaal vormt’ aan als een bedrijfshandeling waarover btw verschuldigd was.3 In Luxemburg werd btw geheven ter zake van het ‘verschaffen van logies in gelegenheden die een belastingplichtige tot tijdelijk onderkomen van personen bestemt’.4 En in Nederland werd de ‘verhuur binnen het kader van het hotelbedrijf of van aanverwante bedrijven’ aan btw-heffing onderworpen.5
Volgens Bours gaan de technische, sociale en economische rechtvaardiging voor het vrijstellen van de verhuur van woonruimte (zie paragraaf 7.3) niet op voor de verhuur in het kader van het hotelwezen.6 Dit heeft te maken met het bedrijfsmatige karakter van deze activiteit en de korte duur van het verblijf. Vanuit het oogpunt van gelijkheid van concurrentie (lees: het beginsel van de fiscale neutraliteit) was Bours van mening dat niet alleen de verhuur van hotelkamers diende te worden belast, maar ook de verhuur van staanplaatsen op een camping en de verhuur van gemeubileerde villa’s en appartementen voor kort verblijf. De vraag waar de grens ligt tussen de vrijgestelde verhuur van woonruimte en de bedrijfsmatige verhuur voor kort verblijf, is echter gemakkelijker te stellen dan te beantwoorden. Bours meende dat de grens, hoewel arbitrair, het beste kon worden getrokken bij een definiëring van de normale verblijfsduur. Hij stelde voor om het ‘regelmatig ter beschikking stellen van gemeubileerde woonruimte of verblijfsgelegenheden voor de duur van normaliter minder dan [drie] maanden’ aan btw-heffing te onderwerpen.7
De Europese Commissie heeft de aanbevelingen van Bours deels overgenomen. In art. 14, B, onderdeel d, punt 1 Voorstel voor een zesde richtlijn stelde zij voor om ‘de verhuur in het kader van het hotelbedrijf of van sectoren met een soortgelijke functie, van vakantiekampen of kampeerterreinen’ aan btw-heffing te onderwerpen. Conform de opvatting van Bours is deze uitzondering op de vrijstelling niet alleen van toepassing op de verhuur van hotelkamers, maar ook op daarmee concurrerende activiteiten, zoals de verhuur van een staanplaats op de camping. In de tekst ontbreekt echter een grens op basis van de normale verblijfsduur. In de toelichting op deze bepaling merkt de Europese Commissie in navolging van Bours op dat ‘de technische, economische en sociale redenen die gelden voor de verhuur van woonhuizen en verpachtingen in de landbouw niet gelden voor de verhuur in het kader van het hotelbedrijf’.8
Uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn blijkt dat de tekst van art. 14, B, onderdeel d, punt 1 Voorstel voor een zesde richtlijn iets is aangepast: ‘de verhuur in het kader van het hotelbedrijf, van vakantiekampen of kampeerterreinen of de verhuur van soortgelijke aard’.9 Hierdoor werd niet alleen de soortgelijke verhuur als de verhuur in het kader van het hotelbedrijf uitgezonderd van de vrijstelling, maar ook de soortgelijke verhuur als de verhuur van vakantiekampen of kampeerterreinen. Daarnaast volgt uit deze vergaderstukken dat een aantal lidstaten opmerkingen hebben gemaakt over deze voorgestelde bepaling. Het Verenigd Koninkrijk was van mening dat ook de verhuur voor een bepaalde tijdsduur in het kader van het hotelbedrijf (bijv. voor de duur van langer dan vier weken) vrijgesteld moest zijn.10 België wilde de verhuur door een particulier van zijn chalet of vakantieflat tijdens het toeristenseizoen vrijgesteld zien. En Ierland wilde de prestatie van kleine pensions (‘boarding houses’) kunnen vrijstellen, met dien verstande dat de vrijstelling niet alleen betrekking heeft op de huisvesting, maar ook op het verstrekken van voedsel.11 Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben zich verzet tegen de door België gewenste uitbreiding van de vrijstelling, omdat dit een probleem is dat met de zogenoemde ‘kleine ondernemersregeling’12 kan worden opgelost. Duitsland, Frankrijk en Nederland waren om dezelfde reden tegen de door Ierland gewenste beperking van de uitzondering op de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed.13
Gelet op dit verschil van inzicht is het niet verwonderlijk dat in art. 13, B, onderdeel b, punt 1 Zesde Richtlijn uiteindelijk is opgenomen dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om te omschrijven wanneer de verstrekking van de accommodatie plaatsvindt in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie: “het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen”. Deze bepaling is ongewijzigd overgenomen in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn.