Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.6.4:9.3.6.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.6.4
9.3.6.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611449:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, p. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening zou de inhoud en de reikwijdte van het begrip ‘samenhangende groep’ kunnen worden verduidelijkt door aan te sluiten bij het begrip ‘fiscale eenheid’ in de zin van art. 15 Wet VPB 1969 of art. 7 lid 4 Wet OB 1968. Deze begrippen hebben eveneens een facilitaire functie, en hebben vergelijkbare gevolgen.
Op deze wijze zou het ook mogelijk zijn om een daadwerkelijke ‘fiscale eenheid’ voor de loonbelasting te introduceren. De verschillende inhoudingsplichtigen zouden dan kunnen opgaan in één inhoudingsplichtige. Naar mijn mening zou dit voor de praktijk een welkome aanvulling zijn op de huidige administratieve maatregel van art. 27e Wet LB 1964. Binnen een concern zou hierdoor nog meer administratieve vereenvoudiging kunnen optreden, omdat dan bijvoorbeeld zou kunnen worden volstaan met één salarisadministratie. Voorts zou een fiscale eenheid verzachting kunnen bieden voor de eindheffing op vertrekvergoedingen die in het wetsvoorstel ‘Belastingheffing op excessieve beloningsbestanddelen’ (31 459) is geïntroduceerd. Tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt dat de overgang van een werknemer binnen een concern ook kan leiden tot toepassing van deze maatregel.1 Naar mijn mening is dit niet reëel in het licht van de toegenomen (internationale) arbeidsmobiliteit binnen concerns.
Ik zou de contouren van de regeling van de fiscale eenheid voor de loonbelasting als volgt willen schetsen:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van 95% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van 95% van de stemrechten.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Een en ander stemt overeen met de contouren die ik in hoofdstuk 7 en 8 heb geschetst ten aanzien van de fiscale eenheid voor de vennootschaps- en omzetbelasting.
Naar verwachting zal voor de meeste concernsituaties een fiscale eenheid met een territoriale beperking tot inhoudingsplichtigen voor de Nederlandse loonbelasting, ofwel binnenlandse inhoudingsplichtigen en buitenlandse inhoudingsplichtigen als bedoeld in art. 6 lid 2 onderdeel a en b Wet LB 1964, volstaan. Echter, met het oog op de eindheffing op vertrekvergoedingen kan zij naar mijn mening toch een grensoverschrijdende werking krijgen. Hierbij dient de inhoudingsplichtige wel aan te tonen dat de overgang van een werknemer naar een buitenlands concernonderdeel realiteitszin heeft, bijvoorbeeld aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met die voor de toepassing van de 30%-regeling. De fiscus kan een en ander controleren op basis van informatie verkregen uit internationale inlichtingenuitwisseling.