Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/8.2.4.3
8.2.4.3 Relevante factoren om te bepalen wie als afnemer van de prestatie geldt
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397637:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJ SAFE, reeds aangehaald.
HvJ Auto Lease Holland, reeds aangehaald.
Aldus ook K.Y. Hulsebos en M.W.C. Soltysik, a.w., blz. 15 en M. Soltysik, a.w., blz. 7.
HR 25 maart 1998, nr. 33 096 (Outplacement), reeds aangehaald en HR 8 oktober 2004, nr. 38 482 (Verhuiskostenarrest), reeds aangehaald. Zie verder ook HR 16 april 2004, nr. 39 829, VN 2004/23.14.
Bijvoorbeeld Hof Den Haag 9 maart 2007, nr. 06/00198, VN 2007/37.24.
HvJ Auto Lease Holland, reeds aangehaald.
Vgl. Conclusie van Advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Duitsland, reeds aangehaald.
HvJ Leesportefeuille Intiem en HvJ Auto Lease Holland, beide reeds aangehaald.
HvJ HE, reeds aangehaald.
Bijvoorbeeld Conclusie van Advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, HR 14 maart 2001, nr. 36 257, BNB 2001/213 en brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 september 2003, nr. DGB 2003/472, VN 2003/48.19.
Conclusie van Advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Duitsland, reeds aangehaald en HR 24 september 1980, nr. 20 060 (Rijkswaterstaatarrest), reeds aangehaald.
HR 3 september 1997, nr. 32 570, VN 1999/28.20, HR 16 april 2004, nr. 39 829, reeds aangehaald en brief van de Staatssecretaris van Financiën van 22 maart 2004, nr. DGB 2004/ 1451M, VN 2004/21.21.
Bijvoorbeeld HR 15 juni 2007, nr. 37 646, VN 2007/31.24.
Bijvoorbeeld HR 15 juni 2007, nr. 37 646, reeds aangehaald.
HR 14 maart 2001, nr. 36 257, reeds aangehaald.
HR 15 juni 2007, nr. 37 646, reeds aangehaald.
Gj. van Norden, a.w. 2004, blz. 14 acht de enkele aanwezigheid van een schriftelijke overeenkomst niet doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van een rechtsbetrekking.
M.C. Schrauwen en R. Mierop, a.w., blz. 5.
E.M. Vrouwenvelder, a.w., blz. 9.
Gj. van Norden, a.w. 2004, blz. 13 en 14.
K.Y. Hulsebos en M.W.C. Soltysik, a.w., blz. 15.
A.H.R.M. Denie, Minder muziek bij het jubileum van de BTW?, WFR 1994, blz. 27 e.v., spreekt over een finaal en voorwaardelijk verband bestaande uit drie elementen: 1) mijn prestatie is doelgericht op jouw vergoeding, 2) terwijl deze een voorwaarde is voor mijn prestatie aan jou en 3) mijn prestatie is een voorwaarde voor jouw vergoeding aan mij.
Vgl. J.J.M. Lamers, a.w., blz. 1839.
Uit de in de vorige paragraaf besproken jurisprudentie en andere jurisprudentie over de afnemer van de prestatie in de omzetbelasting kunnen de volgende factoren worden afgeleid die relevant zijn om te bepalen wie de afnemer is:
De vraag naar wie de feitelijke macht heeft verkregen als eigenaar over een goed te beschikken.1 Daarbij is de vraag wie beslissingsbevoegdheid heeft over het geleverde goed van groot belang.2 Naar mijn mening kan de vraag wie beslissingsbevoegdheid heeft voor diensten ook van belang worden geacht.3
Rechtsbetrekking/rechtsverhouding waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. In het bijzonder de Hoge Raad legt in zijn meest recente jurisprudentie steeds de nadruk op dit criterium.4
De feitelijke betaling. Hierbij gaat het om de vraag wie feitelijk de factuur betaalt van de leverancier of dienstverrichter.5
De vraag wie uiteindelijk de kosten draagt. Degene die uiteindelijk de kosten draagt kan een ander zijn dan degene die feitelijk de rekening van de leverancier of dienstverrichter betaalt.6 Het gaat hierbij om die gevallen waarin een ander de betaling voorschiet.
De vraag wie met de leverancier of dienstverrichter afspraken maakt over de hoogte van de te betalen vergoeding, betalingstermijnen, enzovoorts.7
Het feitelijk gebruik dat van een prestatie wordt gemaakt.8
Het bestemmen van een goed of dienst voor een bepaald gebruik.9 Het gaat hierbij om de bedoelingen van degene die het geleverde goed of de geleverde dienst gaat gebruiken en dat vooraf gaat aan het feitelijk gebruik dat van een prestatie wordt gemaakt. De bedoelingen en het uiteindelijke gebruik kunnen ook anders zijn, bijvoorbeeld als een ondernemer een goed of dienst aanschaft met het oogmerk om deze in zijn onderneming aan te wenden, maar uiteindelijk voor privédoeleinden gebruikt.
Begunstiging.10 Het gaat hierbij in de jurisprudentie steeds om de situatie waarin iemand baat heeft van een bepaalde prestatie. Personen die slechts zijdelings baat hebben van een bepaalde prestatie worden over het algemeen niet als afnemer van de prestatie aangemerkt.
De vraag wie de inhoud en omvang van de te verrichte prestatie bepaalt.11 Diegene die er baat bij heeft/de dienst nodig heeft, zal zelf willen bepalen hoe de dienst wordt vormgegeven en wat hij voor de naar zijn wensen vormgegeven dienst over heeft. Dit zal vooral gelden voor op maat gemaakte diensten.
Verbruik/genot.12 Uit de meest recente jurisprudentie volgt, zoals hiervoor is beschreven, dat de nadruk op de rechtsbetrekking/rechtsverhouding ligt en minder op het verbruik/genot.
De vraag wie formeel de opdracht geeft.13
De tenaamstelling van de factuur.14
De vraag wie de factuur ontvangt.15 Dit kan een ander zijn dan degene op wiens naam de factuur is gesteld.
Het nemen van het initiatief tot het laten verrichten van een prestatie.16 Dit kan een ander zijn dan degene die formeel opdracht geeft tot het verrichten van de prestatie.
Het sluiten van de overeenkomst.17 Het gaat hierbij om de vraag welke partijen in de overeenkomst voor het verrichten van de prestatie zijn genoemd. Dit kan een andere partij zijn dan degene die formeel de opdracht heeft gegeven of het initiatief heeft genomen voor het laten verrichten van de prestatie.18
In de literatuur is regelmatig de vraag aan de orde gekomen of de voorkeur moet worden gegeven aan de rechtsbetrekking of het genot wanneer moet worden vastgesteld wie als afnemer van een prestatie kan worden aangemerkt. Schrauwen en Mierop leiden uit de jurisprudentie over wie de afnemer is af dat van belang is tussen wie de rechtsbetrekking bestaat. Voorts is van belang wie over en weer prestaties uitwisselt met de leverancier en wie uiteindelijk de vergoeding betaalt aan de leverancier.19 Vrouwenvelder neemt het standpunt in dat een rechtsbetrekking ook feitelijk met de ondernemer moet bestaan en niet alleen op papier. Daarnaast is zij van mening dat het bestaan van een rechtsbetrekking nog niet altijd hoeft te betekenen dat de prestatie ook ten behoeve van de opdrachtgever wordt verricht. Ten slotte stelt zij dat wellicht ook de vraag waar nu eigenlijk het verbruik (in directe zin) plaatsvindt een handvat kan bieden bij het bepalen ten behoeve van wie de prestaties worden verricht en wie afnemer van de prestatie is.20 Van Norden stelt dat zowel de rechtsbetrekking als wie het verbruik heeft van belang is. Aanknopen bij de rechtsbetrekking past volgens hem beter in een transactiebelasting.21 Hulsebos en Soltysik nemen het standpunt in dat het begrip afnemer een zeer lastig begrip is. Het lijkt er volgens hen op dat het zodanig van de omstandigheden afhankelijk is dat het niet mogelijk is om regels te bedenken die in alle gevallen kunnen worden toegepast.22
Naar mijn mening moet in een indirecte belasting als de omzetbelasting vast worden gesteld met wie de leverancier of dienstverrichter een rechtsbetrekking heeft wanneer moet worden bepaald wie als afnemer van de prestatie kan worden aangemerkt. Omdat omzetbelasting op indirecte wijze wordt geheven van de ondernemer bij wie de consument zijn bestedingen doet, veronderstelt deze twee partijen, een leverancier en een consument en een rechtsverhouding tussen beiden. Daarbij verricht de leverancier een prestatie in ruil voor een betaling door de consument en de consument betaalt de leverancier in ruil voor de prestatie. De betaling door de consument is daarbij gericht op de verkrijging van de prestatie en de prestatie van de leverancier is gericht op de verkrijging van de betaling.23 De levering of dienst is het heffingsobject en de betaling is de maatstaf van heffing. De hiervoor genoemde relevante factoren om te bepalen wie als afnemer van een prestatie kan worden aangemerkt, kunnen ook allemaal binnen deze rechtsverhouding tussen leverancier en afnemer worden geplaatst. Er zijn factoren die betrekking hebben op de relatie tussen leverancier en dienstverrichter, factoren die betrekking hebben op de afnemer, factoren die betrekking hebben op de betaling en ten slotte factoren die betrekking hebben op de levering of de dienst. Schematisch kunnen de factoren op deze manier in het plaatje van de rechtsbetrekking worden geplaatst.
Het criterium verbruik/genot moet mijns inziens dus niet tegenover de rechtsbetrekking worden geplaatst, maar vormt een element om vast te stellen met wie de rechtsbetrekking bestaat. De constatering dat sprake is van een begunstiging, van feitelijk verbruik of genot is een eerste stap om vast te stellen met wie de leverancier of dienstverrichter een rechtsbetrekking heeft. Alleen een begunstiging of feitelijk verbruik of genot is echter onvoldoende om een rechtsbetrekking te constateren. Er moet sprake zijn van een beoogde begunstiging of beoogd verbruik of genot. De afnemer in de omzetbelasting is, zoals hiervoor is geconstateerd, gericht op het verkrijgen van een levering of dienst in ruil voor betaling. Deze doelgerichtheid zal moeten blijken uit andere omstandigheden. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de omstandigheid dat de desbetreffende persoon tevens met de leverancier of dienstverrichter afspraken heeft gemaakt over de inhoud en omvang van de te leveren prestatie, opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de prestatie of omdat hij de leverancier of dienstverrichter betaalt. Wanneer iemand het genot heeft van een geleverd goed of geleverde dienst en tevens de leverancier respectievelijk dienstverrichter betaalt, waarbij hij die betaling niet in een later stadium (geheel) kan afwentelen op een ander, moet naar mijn mening worden aangenomen dat deze persoon als afnemer van de prestatie heeft te gelden. Het feit dat iemand het voordeel heeft van een prestatie en bereid is hiervoor te betalen, toont aan dat hij dit voordeel wenste te verkrijgen in ruil voor betaling. Als iemand het verbruik of genot heeft, betekent dit tevens dat hij op enigerlei wijze het geleverde goed of de dienst in handen moet krijgen. Van een doelgerichtheid tot het verkrijgen van een prestatie in ruil voor betaling is mijns inziens in omzetbelasting technische zin zelfs sprake indien men tegen betaling een voordeel aan een ander beoogt toe te laten vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer men iemand een geschenk geeft. Stel bijvoorbeeld dat iemand bij de bloemist een bos bloemen bestelt en deze rechtstreeks door de bloemist bij degene laat bezorgen die hij wil verrassen. Naar mijn mening moet dan de schenker als afnemer van de prestatie worden beschouwd. Hoewel de bloemen fysiek worden overhandigd aan de begunstigde is de schenker gericht op de verkrijging van de bloemen, weliswaar om deze aan een ander te geven. Hij kan ook voordat verzending heeft plaatsgevonden te allen tijde bijvoorbeeld beslissen dat hij de bloemen zelf gaat ophalen, omdat hij ze zelf wil houden of opdracht geven ze naar iemand ander toe te zenden. Hij heeft dus daadwerkelijk de beslissingsbevoegdheid over de door de bloemist te leveren prestatie.24 Ook als iemand schade toebrengt aan een ander en zelf het initiatief neemt tot schadeherstel kan sprake zijn van gerichtheid tot het verkrijgen van een prestatie in ruil waarvoor men betaalt.