Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.3.2
VI.3.2 Horizontale werking
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599809:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoerig § IV.4.4.
Zo uitdrukkelijk EHRM 28 oktober 2004, nrs. 48173/99 en 48319/00, par. 48 (Y.B./Turkije); EHRM 10 december 2009, nr. 20437/05, par. 83 (Shagin/Oekraine).
Aldus EHRM 29 mei 2012, nrs. 39820/08 en 14942/09, par. 82 (Shuvalov/Estland). Zie ook EHRM 18 mei 1999, nr. 28972/95, dec. (Ninn-Hansen/Denemarken); EHRM 5 december 2002, nr. 34896/97, par. 98 (Craxi/Italië); EHRM 14 december 2004, nr. 45963/99, dec. (Anguelov/Bulgarije); EHRM 16 oktober 2012, nr. 15499/10, dec. (Beggs/Verenigd Koninkrijk).
Ik ontleen ze aan EHRM 18 mei 1999, nr. 28972/95, dec. (Ninn-Hansen/Denemarken); EHRM 5 december 2002, nr. 34896/97, par. 98 (Craxi/Italië); EHRM 21 september 2006, nr. 46661/99, par. 141 (Soylemez/Turkije); EHRM 29 maart 2007, nr. 41250/02, par. 74-75 (Mircea/Roemenië); EHRM 8 juli 2008, nr. 30024/02, dec. (Sutyagin/Rusland); EHRM 30 juni 2009, nr. 75109/01, par. 166 (Viorel Burzo/Roemenië); EHRM 16 maart 2010, nr. 14352/04, par. 94-95 (Jiga/Roemenië). EHRM 20 december 2011, nr. 20899/03, par. 47-48 (G.C.P./Roemenië); EHRM 6 november 2012, nr. 25133/06, dec. (Beggs/Verenigd Koninkrijk); EHRM 14 maart 2013, 36697/03, par. 36 (Krylov/Rusland). Gelijksoortige factoren ziet Van Lent 2013, p. 355.
Vgl. nog iets stelliger Van Lent 2013, p. 355.
Vgl. Harris, O’Boyle, e.a. 2014, p. 467. Zie wel de schending van art. 6 lid 1 EVRM in EHRM 16 december 1999, nr. 24888/94 (V./Verenigd Koninkrijk) en EHRM 16 december 1999, nr. 24724/94 (T./Verenigd Koninkrijk). Het Hof oordeelde in beide zaken dat de verdachte door de media-aandacht niet langer effectief had kunnen participeren in zijn eigen strafzaak. Dat oordeel was echter mede ingegeven door de jonge leeftijd en geestelijke conditie van de verdachte.
Vgl. Corstens & Pradel 2002, p. 414-415; Reid 2012, p. 163. Kritisch over de in de EHRM-rechtspraak besloten liggende assumptie dat professionele rechters zich van negatieve media-aandacht kunnen afsluiten is bijv. Van Lent 2013.
Zie bijv. de Grote Kameruitspraken EHRM (GK) 7 februari 2012, nrs. 40660/08 en 60641/08, NJ 2013, 250 (Von Hannover/Duitsland (no. 2)); EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251 (Axel Springer AG/Duitsland); EHRM (GK) 10 november 2015, nr. 40454/07 (Couderc e.a./Frankrijk).
EHRM 9 april 2009, nr. 28070/06, par. 66 (A./Noorwegen); EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251, par. 83 (Axel Springer AG/Duitsland).
Vgl. EHRM 14 oktober 2008, nr. 78060/01 (Petrina/Roemenië); EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251 (Axel Springer AG/Duitsland).
EHRM 27 juli 2004, nrs. 55480/00 en 59330/00, par. 49 (Sidabras and Džiautas/Litouwen); EHRM 18 januari 2011, nr. 4479/03, par. 57 (Mikolajova/Slowakije); EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251, par. 83 (Axel Springer AG/Duitsland); EHRM (GK) 3 april 2012, nr. 41723/06, par. 67 (Gillberg/Zweden).
EHRM 16 april 2013, nr. 22018/10, par. 87 (Căşuneanu/Roemenië).
Zo uitdrukkelijk EHRM 7 juni 2007, nr. 1914/02, par. 32 (Dupuis/Frankrijk). Zie ook EHRM 27 juni 2000, nr. 28871/95, par. 72 (Constantinescu/Roemenië); EHRM 24 november 2005, nr. 53886/00, par. 63 (Tourancheau en July/Frankrijk); EHRM 22 februari 2007, nr. 26606/04, par. 22 (Falter Zeitschriften Gmbh/Oostenrijk).
Zie o.a. EHRM 29 augustus 1997, nr. 22714/93, par. 40 (Worm/Oostenrijk); EHRM 26 februari 2009, nr. 29492/05, par. 86 (Kudeshkina/Rusland); EHRM 15 november 2016, nr. 75255/10, dec., par. 33 (Simić/Bosnië en Herzegovina).
Zie bijv. over art. 8: EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251, par. 96 (Axel Springer AG/Duitsland) en over art. 6: EHRM (GK) 29 maart 2016, nr. 56925/08, par. 58 en 69-72 (Bédat/Zwitserland).
Zie bijv. EHRM 11 januari 2000, nr. 31457/96, par. 56 (News Verlags GmbH & Co. KG/ Oostenrijk); EHRM (GK) 17 december 2004, nr. 49017/99, par. 78 (Pedersen en Baadsgaard/ Denemarken); EHRM 7 juni 2007, nr. 1914/02, par 37 en 44 (Dupuis/Frankrijk); EHRM (GK) 7 februari 2012, nr. 39954/08, NJ 2013, 251, par. 96 (Axel Springer AG/Duitsland); 15 september 2015, nr. 14781/07, dec., par. 57 (H.L./Polen). EHRM (GK) 29 maart 2016, nr. 56925/08, par. 58 en 69-72 (Bédat/Zwitserland). Daarbij wijst het Hof doorgaans ook op Aanbeveling RvE 2003/13 over de verspreiding van informatie over strafzaken via de media, waarin de onschuldpresumptie één van de leidende principes is.
EHRM (GK) 29 maart 2016, nr. 56925/08, par. 70 (Bédat/Zwitserland).
General Comment 2007/32, par. 30. Deze passage is bij de beoordeling van individuele klachten regelmatig herhaald, zie bijv. CRM 21 oktober 2014, nr. 1773/2008 (Kozulina/ Wit-Rusland).
Zo ook Joseph & Castan 2013, par.14.110, p. 478.
In die richting wijst CRM 29 juli 1998, nr. 813/1998 (Chadee e.a./Trinidad & Tobago).
Zie Van Noorloos 2016, p. 162.
De presumptie van onschuld is primair een tussen overheid en burger functionerend rechtsbeginsel. Voor de bewijsdimensie is dat vanzelfsprekend, maar ook onverkorte toepassing van de behandelingsdimensie in horizontale rechtsverhoudingen laat zich niet goed verdedigen. Tegelijkertijd zijn particulieren onder omstandigheden in staat de met de behandelingsdimensie gemoeide belangen ernstig te schaden.1
De Straatsburgse rechtspraak heeft oog voor dit spanningsveld. In directe zin richt het verbod de niet-veroordeelde als schuldige te bejegenen zich uitsluitend tot overheidsorganen. Dat niet rechtstreeks over de gedragingen van een privépersoon kan worden geklaagd spreekt voor zich,2 maar de lidstaten kunnen eveneens niet verantwoordelijk worden gehouden voor uitlatingen of gedragingen van een burger.3 Uit het EVRM laat zich derhalve geen algemeen verbod afleiden op bejegening als schuldige aan een strafbaar feit door particuliere derden. Maar, indirecte derdenwerking van de presumptie van onschuld komt men in de rechtspraak van het Hof in een drietal opzichten wel degelijk tegen.
Ten eerste sluit het EHRM niet uit dat artikel 6 EVRM en in het bijzonder het tweede lid onder omstandigheden de positieve verplichting inhouden om de verdachte en de eerlijkheid van het strafproces te beschermen tegen het daarop uitgeoefende mediageweld. Het Hof onderkent:
“[A] virulent press campaign can adversely affect the fairness of the trial and involve the State’s responsibility [...]. This is so with regard to the impartiality of the court under Article 6 § 1 as well as with regard to the presumption of innocence embodied in Article 6 § 2.”4
Het EHRM verlangt dus van de lidstaten actief optreden indien de media-aandacht voor een strafzaak zodanig is dat de rechterlijke onpartijdigheid of de onschuldpresumptie niet langer is gewaarborgd. Van een dergelijke ‘virulente’ mediacampagne is echter niet gauw sprake. Diverse factoren spelen bij de beoordeling een rol.5 Ten eerste zijn de aard en intensiteit van de mediahetze van belang. Is deze niet ernstig genoeg, dan kan de (leken)rechter daardoor redelijkerwijs niet zijn beïnvloed. Daarnaast is de context van de media-aandacht relevant. Is een strafzaak politiek geladen of anderszins van groot maatschappelijk gewicht dan moet intensievere aandacht voor de zaak voor lief worden genomen. Verstrijkt geruime tijd tussen de publicaties of andere uitingen en het zittingsonderzoek, dan is dat reden daarvan geen negatieve uitwerking op het proces meer te vrezen. Voorts gaat het Hof na in hoeverre de overheidsautoriteiten de media in hun hevige campagne hebben gevoed en daaraan actief hebben bijgedragen. Van professionele rechters verwacht het Hof voorts dat zij zich uit hoofde van hun functie voor een door de media gecreëerd beeld kunnen afsluiten. Ten slotte kan een zittingsrechter door middel van goede instructies aan juryleden de lidstaat kwijten van de verplichting om de negatieve invloed van de media op de eerlijkheid van het strafproces te voorkomen of te beperken. Al deze factoren kunnen reden zijn om géén schending aan te nemen. Anders dan bij de beoordeling van uitlatingen van overheidsfunctionarissen, zal op zijn minst zeer aannemelijk moeten worden dat de beoordeling van de strafzaak daadwerkelijk onheus is beïnvloed.6 Zie ik het goed dan heeft het Hof nooit schending van artikel 6 lid 2 EVRM op deze grond vastgesteld.7 In een strafproces zonder juryrechtspraak ligt toekomstige schending evenmin in de lijn der verwachting.8
Ten tweede heeft de onschuldpresumptie betekenis in de relatie tussen een niet-veroordeelde en een particuliere derde in het kader van de vraag of sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Het in die bepaling vervatte recht op een privéleven omvat ook het recht op bescherming van de reputatie. Artikel 8 legt op de verdragsstaten positieve verplichtingen tot bescherming van de reputatie van het individu.9 Eer dat het geval is, zal het wel moeten gaan om “[...] an attack on a person’s reputation [which] attain[s] a certain level of seriousness [...] in a manner causing prejudice to personal enjoyment of the right to respect for private life”.10 Zo’n aanval kan ook de beschuldiging van een strafbaar feit zijn.11 Volgens het Hof faalt de klacht over schending van artikel 8 EVRM evenwel wanneer de klager de reputatieschade door zijn gedrag over zichzelf heeft afgeroepen. Het begaan van een strafbaar feit is zo’n gedraging waarvan reputatieschade een ‘foreseeable consequence’ is.12 Die redenering gaat echter nadrukkelijk niet op indien de klager op het moment van de vermeende inbreuk nog slechts verdachte was. Dan profiteert deze in dit verband ten volle van de onschuldpresumptie.13 Het delict waarvan de beschuldigde wordt verdacht is dus op zichzelf onvoldoende grond om de lidstaat te ontslaan van de verplichting tot bescherming van de reputatie van een (nog slechts) verdachte burger.
Ten derde biedt de Straatsburgse rechtspraak ruimte om de in artikel 10 EVRM vervatte vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring te beperken in het belang van het vermoeden van onschuld. Het gaat hier dus om het spiegelbeeld van de hiervoor ten eerste en ten tweede besproken gevallen. Zijn in het belang van de door de artikelen 6 en 8 EVRM beschermde rechten van overheidswege maatregelen genomen tegen particuliere bejegening als schuldige, dan betekent dat dikwijls een inbreuk op artikel 10. Dat betreft naast gevallen waarin de artikelen 6 en 8 EVRM tot ingrijpen dwingen, ook situaties waarin de nationale staat ingrijpen wenselijk acht zonder dat het EVRM daartoe noopt. Tussen de geboden beperkingen op grond van de artikelen 6 en 8 EVRM enerzijds en de verboden beperkingen op grond van artikel 10 EVRM anderzijds, bestaat immers een margin of appreciation voor de staat. Bescherming van het recht voor onschuldig te worden gehouden, beschouwt het Hof als een legitieme reden voor inbreuk in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM. Volgens het Hof correspondeert het beginsel met de aldaar genoemde “reputation or rights of others’ en ‘maintaining the authority and impartiality of the judiciary”.14 Bij die laatste grond gaat het het Hof in het bijzonder om wat in dit boek steeds de exclusiviteit van het strafproces wordt genoemd, te weten: “the notion that the courts are, and are accepted by the public at large as being, the proper forum for [...] the determination of a person’s guilt or innocence on a criminal charge”.15 Of de inbreuk op artikel 10 EVRM toelaatbaar is, hangt dan ook hoofdzakelijk af van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Ofschoon het Hof benadrukt dat die proportionaliteitsafweging tussen botsende EVRM-rechten primair door de nationale autoriteiten moet worden gemaakt, reikt het Hof zelf de in die afweging te betrekken criteria aan.16 Het is vaste rechtspraak dat de onschuldpresumptie daarbij gewicht in de schaal legt ten gunste van de beperking van het recht van artikel 10 EVRM, ook wanneer het een afweging met artikel 8 EVRM betreft.17 Ter rechtvaardiging van een inbreuk op artikel 10 gelden logischerwijs gelet op de margin of appreciation minder strenge eisen dan voor de verplichting tot een dergelijke beperking op grond van de artikelen 6 en 8 EVRM. Zo zal de staat ter verdediging van de op artikel 10 gemaakte inbreuk niet hoeven bewijzen dat de litigieuze uitingen het strafproces werkelijk hebben beïnvloed. Een reëel risico is voldoende.18
Al met al erkent het EHRM dat de onschuldpresumptie enerzijds niet elke bejegening als schuldige door particulieren kan verbieden en anderzijds dat particuliere handelingen het onschuldvermoeden niet altijd ongemoeid laten. Het Hof is van oordeel dat de onschuldpresumptie door privépersonen kan worden geschaad, maar stelt zich terughoudend op. Alleen in een uiterst geval levert het ontbreken van bescherming mogelijk een schending van artikel 6 EVRM op, maar lidstaten hebben tot op zekere hoogte de vrijheid om zelfstandig de vrijheid van derden aan banden te leggen in het belang van de onschuldpresumptie.
Deze nuances zijn in de jurisprudentie van het VN Mensenrechtencomité niet aanwezig. In General Comment 32 heeft het Comité in het algemeen aangegeven dat “[t]he media should avoid news coverage undermining the presumption of innocence”.19 Daarbij wekt het Comité de indruk dat de lidstaat daarvoor rechtstreeks verantwoordelijk is en het handelen van particuliere media aldus zonder meer tot schending van artikel 14 lid 2 IVBPR kan leiden.20 Zover is het tot dusver echter niet gekomen. Welke criteria het Comité aanlegt om een en ander te beoordelen is bovendien nog niet te zeggen. In elk geval lijken ter voorkoming van beïnvloeding van de zittingsrechter of jury genomen maatregelen een negatief oordeel te kunnen verijdelen.21
Ook de aanvullende waarde van de richtlijn is in dit verband gering. Overweging 19 van de preambule vraagt van de lidstaten dat zij passende maatregelen nemen om zeker te stellen dat overheidsinstanties in hun informatieverstrekking aan de media de verdachte niet als schuldige aanduiden. Lidstaten dienen daartoe hun instanties over het belang van de onschuldpresumptie te informeren. Aldus legt de richtlijn op de media geen zelfstandige plicht tot inachtneming van het onschuldvermoeden. Het alternatieve voorstel van het EP deed dat ook niet, maar legde de informatieverstrekking aan de media verder aan banden dan de huidige overweging. Zo stelde het EP een verbod voor op iedere informatieverstrekking die kon leiden tot vooringenomenheid of vooroordeel ten nadele van de verdachte. Dat gaat ver. De Raad vond het voorstel dan ook ingaan tegen “the very principles of a free and open society”.22 Daar staat tegenover dat van de uiteindelijk gekozen formulering kan worden gezegd dat deze tamelijk krachteloos is. De richtlijn heeft het enkel en zonder nadere concretisering over te nemen passende maatregelen. Daarvan kan weinig bijdrage aan de verdere harmonisering van het strafprocesrecht van de lidstaten worden verwacht.