Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.1
15.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940706:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daar bleek ook dat mijn opvatting niet onomstreden is: het bewijsrecht zoals dat voorafgaand aan de beroepsfase geldt, wordt veelal beschouwd als een afgeleid bewijsrecht, dat zijn schaduw achteruitwerpt.
Zie paragraaf 11.2.6.3.
Zie hieromtrent nader paragraaf 3.5.4.
Zie paragraaf 8.2.2.2. Vgl. ook Thomas in zijn noot bij EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, FED 2012/77, die erop wijst dat het recht op een eerlijk proces in een procedure inzake een fiscale boete volgens het EHRM van toepassing is, indien informatie wordt opgevraagd door de Belastingdienst, zelfs als de Belastingdienst in rechte geen beroep doet op deze informatie (r.o. 63).
In paragraaf 7.3.10.1 heb ik verdedigd dat de regels van het fiscale bewijsrecht reeds in de bestuurlijke voorfasen (die vooraf gaan aan de beroepsfase) op zelfstandige titel gelden.1 Dat geldt naar mijn mening ook in de sfeer van de fiscale bestuurlijke boete. Denk bijvoorbeeld aan het voorschrift dat tot het geven van de cautie verplicht:2 dat voorschrift zou een dode letter zijn als de cautie pas ten overstaan van de rechter zou gelden. Wel is het zo, dat de toepassing van die bewijsregels pas in de beroepsfase kan worden getoetst door de rechter. Ook de bewijsrechtelijke waarborgen van art. 6 EVRM, die ten opzichte van de sfeer van de heffing een aanvullende rol spelen, hebben al invloed voordat de zaak bij de rechter ligt.3 De regels van bewijsrecht die volgen uit art. 6 EVRM gelden namelijk vanaf het moment dat er een criminal charge in de zin van dat artikel is geuit jegens de boeteling.4 Vanaf dat moment moet bijvoorbeeld het vermoeden van onschuld prevaleren, totdat het tegendeel in rechte is bewezen.
In dit hoofdstuk komen de procesrechtelijke aspecten van bewijsrecht in boetezaken aan de orde, die naar nationaal recht afwijken van de sfeer van de heffing. Het gaat dan bijvoorbeeld om de zogeheten gelijktijdigheidseis (paragraaf 15.2). In dit hoofdstuk ga ik ook nader in op de procesrechtelijke waarborgen die uit art. 6 EVRM voortvloeien, althans voor zover die het bewijsrecht raken. In paragraaf 15.3 geef ik eerst aan om welke waarborgen het gaat en laat ik enkele van die waarborgen (zoals de toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter) de revue laat passeren. De betekenis van de waarborgen van art. 6 EVRM komt vooral naar voren waar zij een aanvulling vormen op het algemeen geldende fiscale proces- en bewijsrecht. Daarom beschrijf ik in de paragrafen 15.4 en 15.5 de invloed van deze waarborgen en werk ik uit welke aspecten van het procesrechtelijke bewijsrecht in boetezaken afwijken ten opzichte van de sfeer van de heffing. In paragraaf 15.4 komen de aspecten aan de orde die zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase spelen. In paragraaf 15.5 behandel ik enkele aspecten die alleen in de beroepsfase voorkomen. Ik sluit in paragraaf 15.6 af met conclusies.