Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.3
15.3 Procesrechtelijke waarborgen gegarandeerd door art. 6 EVRM
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940529:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Openbare behandeling maakt controle op het eerlijke verloop van het proces door de buitenwereld mogelijk. Zie hierover nader Feteris 2002, hoofdstuk 9.
Zie Feteris 2007, p. 365 e.v., en (uitgebreider, maar gedateerd) Feteris 2002, hoofdstuk 10. Zie voorts paragraaf 9.4.11.
HR 11 januari 2019, V-N 2019/4.21, BNB 2019/50, EHRM 20 december 2007 (Paykar Yev Haghtanak), nr. 21638/03. Zie voorts HR 10 januari 2001, BNB 2001/270 en bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2018, V-N 2018/34.21, r.o. 4.18. Opvallend genoeg besteedde Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2015, V-N 2015/45.8, in het geheel geen aandacht aan de waarborgen van art. 6 EVRM, terwijl het in die casus juist om boetebeschikkingen ging. Zie in algemene zin (geldend voor zowel de sfeer van de heffing als voor de sfeer van de boete) ook HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.8, BNB 2014/135, HR 20 februari 2015, V-N 2015/12.7, BNB 2015/197 (de rechter kan het griffierecht onder omstandigheden matigen om de toegang tot de rechter te waarborgen) en HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.22 (de Nederlandse regeling van het griffierecht, met de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen, voldoet aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel).
De Hoge Raad bewaakt laatstgenoemd recht overigens ook buiten de sfeer van de boete al tamelijk streng, zie HR 28 januari 2011, V-N 2011/9.5, BNB 2011/84, HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21 en HR 24 maart 2023, V-N 2023/15.17 (zie voorts de aangehaalde jurisprudentie in de Aantekening bij laatstgenoemd arrest). Dat deed de Hoge Raad ook in het kader van de mogelijkheden die de Tijdelijke Wet COVID-19 Justitie en Veiligheid bood om fysieke zittingen te vervangen door elektronische varianten. Zie in het kader van de regeling van art. 8:54 Awb (waarbij een zitting achterwege wordt gelaten) voorts HR 18 juni 2021, V-N 2021/27.17, r.o. 2.5.3. In HR 9 april 2021, V-N 2021/17.20, waarin ook boetes aan de orde waren, oordeelde de Hoge Raad in dit verband dat het beginsel van equality of arms dat in art. 6 EVRM is vervat, in alle belastingzaken geldt (r.o. 2.3.4, zie ook de samenhangende zaak HR 4 juni 2021, V-N 2021/25.8).
Zie Feteris 2002, hoofdstuk 6 tot en met 8.
Dat laat onverlet dat de overkoepelende norm van de fair hearing uit art. 6 EVRM wel degelijk waarborgen bevat, die rechtstreeks van belang (kunnen) zijn voor de beoordeling van de bewijspositie van de boeteling. In het bijzonder valt hierbij te denken aan de beginselen van equality of arms en van hoor en wederhoor. Zie omtrent deze beginselen nader paragraaf 12.3.4.
Ook de invordering van de fiscale bestuurlijke boete laat ik in het kader van dit onderzoek om vergelijkbare redenen onbesproken (zoals aangekondigd in paragraaf 2.3.5).
Voor een nadere uiteenzetting verwijs ik naar Feteris 2007, waar de genoemde waarborgen worden besproken op p. 375 e.v.. Voor een uitgebreidere uiteenzetting: zie de meest recente druk van zijn dissertatie (Feteris 2002).
Zie bijvoorbeeld paragraaf 9.4 (inzake de bewijslastverdeling ten aanzien van de waarborgen).
Uit art. 6 EVRM vloeien verschillende procesrechtelijke waarborgen voort, zoals de openbaarheid van de behandeling van de zaak1 en de redelijke termijn waarbinnen die behandeling moet plaatsvinden.2 Andere voorbeelden zijn het recht op bijstand van een raadsman, het recht op vertaling van processtukken, het recht op bijstand van een tolk, de garantie van een vrije, onbelemmerde toegang tot een onpartijdige en onafhankelijke rechter (waaruit ook normen volgen zoals de acceptabele hoogte van het griffierecht3 en de aanvaardbaarheid van de lengte van beroepstermijnen), het recht op tijd en faciliteiten om de verdediging voor te bereiden en het recht om aanwezig te zijn ter terechtzitting4 (waaronder ook kwesties als een behoorlijke oproeping voor en het verlenen van uitstel van de zitting vallen).5
Deze waarborgen behelzen vooral voorschriften die het formele procesrecht als zodanig betreffen. Het gaat dus niet om waarborgen die rechtstreeks zien op het bewijsrecht.6 Om die reden laat ik een inhoudelijke bespreking daarvan binnen het kader van dit onderzoek zoveel mogelijk achterwege.7 Bovendien heeft Feteris reeds een integraal onderzoek verricht naar de betekenis van deze waarborgen voor en de invloed daarvan op de Nederlandse fiscale bestuurlijke boete in bredere zin.8 Waar de hier bedoelde waarborgen het bewijsrecht wél rechtstreeks raken, ben ik daar bij de behandeling van het betreffende aspect van het bewijsrecht reeds op ingegaan.9
Waar het in dit hoofdstuk om gaat, is de vraag of er met betrekking tot het bewijs in fiscale bestuurlijke boetezaken andere procesrechtelijke regels gelden dan in het reguliere fiscale procesrecht. Ik zal mij daarom in het vervolg beperken tot de behandeling van die waarborgen, die verschillen veroorzaken tussen het bewijsrecht zoals dat geldt voor de fiscale bestuurlijke boete en het algemene fiscale bewijsrecht. In deze paragraaf zet ik een aantal waarborgen op een rij, die naar mijn mening in boetezaken een aanvulling vormen op dat algemene fiscale bewijsrecht. In de paragrafen 15.4 en 15.5 belicht ik vervolgens enkele aspecten van het nationale procesrecht, ter zake waarvan in de Nederlandse jurisprudentie reeds een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de sfeer van de boete en de sfeer van de heffing.
15.3.1 Recht op bijstand tijdens of voorafgaand aan het verhoor (Salduz)15.3.2 Vertaling van stukken en bijstand van een tolk15.3.3 Toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter15.3.4 Initiatief voor rechterlijke toetsing en voortvarendheid van de autoriteiten15.3.5 Afzien van beroep als rechtsmiddel15.3.6 Wraking