Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.2
28.2 Historie
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484879:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verwarring met de via vicinalis: Everts 1899, p. 36; Van Kerkhoff 1966, p. 76.
Dit betekent overigens niet dat soortgelijke wegen in Frankrijk niet voorkwamen: Everts 1899, p. 26-29.
Zie ook nog art. 47 van de Wet van 8 januari 1824 (Stb. nr. 6).
Asser/Beekhuis 1977 (3-II), p. 147; Van der Linden 1845, p. 329 e.v.; Van Kerkhoff 1966, p. 74.
De Groot, Inleidinge II, 35, 10.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Recht, Boek II, 21ste deel, par. 9.
Diephuis 1886, p. 299.
Asser/Scholten 1945, p. 258; zie ook Korteweg 1959, p. 274 en 275.
Over de herkomst van art. 719 BW (oud) is veel geschreven. Het Romeins recht kende de buurweg niet.1 In de Code civil en het Wetboek Napoleon voor het Koninkrijk Holland kwam een soortgelijke bepaling niet voor.2 In het Ontwerpvan 1820, kwam de volgende tekst voor:
‘Buurwegen, dat is, die, welke aan verscheidene geburen tezamen toebehoren, en waardoor zij van hunne landen komen op den heerenweg, mogen niet gesloten worden dan met gemeene bewilliging’ (art. 1248). In het Ontwerpvan 1830 luidde art. 757 als volgt:
‘Voetpaden, dreven of wegen, aan verscheidende geburen gemeen, en welke hun tot een uitgang dienen naar den openbaren weg, kunnen niet dan met gezamelijke toestemming worden vernietigd.’3
Veelal wordt ter zake van het ontstaan van buurwegen verwezen naar De Groot.4 Hij omschreef de ‘Buyr-Weegen’ als volgt: het
‘zyn weegen, die verscheyden buyren t’zamen toekomen ende mogen niet gesloten werden dan met gemeene bewilliging: ende vruchten komen dezelfde buyren toe.’5
Zie in dit verband ook nog Van Leeuwen die sprak over Ly-wegen. Hij definieerde deze aldus:
‘Ly-wegen, anders buurwegen, zijn dewelke eenige gemeenschaptoebehoren, en tot gemeene dienst geschikt zijn, dewelke, omdat zij ten dienst van ’t gemeen ongeslooten blijven, en daardoor den af- en toegang van andere mede komen te lijden, Lywegen genoemd werden.’6
Tegen het beeld van De Groot als vader van de buurwegen verzet Diephuis zich. Hij is van mening dat De Groot
‘niet de schepper en uitvinder der buurwegen is.’
En hij vraagt zich af
‘of het veelvuldig bestaan van deze (buurwegen: JGG), gelijk het De Groot aanleiding gaf om er over te spreken, niet evenzeer onzen wetgever daartoe kon leiden, zonder dat hij daarbij De Groot voor oogen had en deze ging raadplegen, en of onze bepaling, waarin van vruchten geen sprake is, en nagenoeg alle uitdrukkingen anders zijn, wel aan eene navolging van of overneming uit De Groot kan laten denken.’7
Een praktische benadering derhalve.
Praktisch is ook de benadering van, onder andere, Scholten8 daar waar hij van mening is dat art. 719 BW (oud) zijn bestaansrecht ontleent aan art. 747 BW (oud), waarover hierna meer.