Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.3.2
3.3.3.2 Agenderingsbevoegdheid van de algemene vergadering
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649708:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Dumoulin 1999, p. 216.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 40. In gelijke zin: GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114, aant. 1 en art. 2:224 aant. 1; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 205; Nowak 2004, p. 677. Vgl. ook Schut & Anker 2003, p. 473 waar zij schrijven dat de algemene vergadering tijdens de rondvraag de benoeming van een bepaalde persoon voor de volgende vergadering op de agenda kan laten plaatsen.
Terzijde merk ik op dat het agendapunt dat is omschreven als ‘rondvraag’ geen enkele besluitvorming aankondigt (zie par. 2.2.1.4).
Dat de rondvraag geen enkele besluitvorming aankondigt, neemt niet weg dat, als de voorzitter dat toelaat, tijdens de rondvraag (vernietigbare) besluiten kunnen worden genomen. Kennelijk anders: Van der Heijden/Van der Grinten 1955, nr. 209; Grosheide 1957, p. 90.
Vgl. Punt 4.74 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142, m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro). Hetgeen onverlet laat dat als ter vergadering een motie in stemming wordt gebracht om voor een volgende vergadering een punt in de agenda op te nemen en deze motie wordt aangenomen, het bestuur er doorgaans verstandig aan zal doen die motie op te volgen.
Over het antwoord op de vraag of de algemene vergadering op grond van de wet bevoegd is om een agendapunt voor een volgende vergadering te agenderen (dus zonder zelf bijeen te roepen), bestaat minder onenigheid. Dat Dumoulin meent dat de algemene vergadering het agenderingsrecht heeft, spreekt voor zich.1 Een ander standpunt zou zich niet verdragen met zijn stelling dat de algemene vergadering in beginsel de bijeenroepingsbevoegdheid toekomt. Maar ook Van Solinge & Nieuwe Weme schrijven dat de algemene vergadering tijdens de rondvraag kan besluiten om over bepaalde onderwerpen in een volgende op te roepen vergadering – waartoe deze onderwerpen dan worden geagendeerd – verder van gedachten te wisselen en te besluiten.2 Volgens Van Solinge en Nieuwe Weme heeft de algemene vergadering dus (zonder statutaire grondslag) niet zonder meer de bijeenroepingsbevoegdheid, maar wel een recht om punten op de agenda voor een volgende vergadering te plaatsen (mits er een rondvraag is). Dit standpunt is mijns inziens te kort door de bocht.
Het uitgangspunt is dat de bijeenroepingsbevoegdheid het agenderingsrecht omvat. Aangezien de algemene vergadering niet bijeenroepingsbevoegd is, dient het door Van Solinge en Nieuwe Weme aangenomen agenderingsrecht van de algemene vergadering ergens anders op te worden gebaseerd. Volgens mij kan geen andere grondslag dan art. 2:114a/224a BW worden aangewezen. Dit brengt met zich dat de algemene vergadering, anders dan Van Solinge & Nieuwe Weme schrijven, niet tijdens de rondvraag zonder tussenkomst van het bestuur en de rvc kan besluiten dat in een volgende vergadering over een bepaald onderwerp gesproken en besloten zal worden.3 Wel kan tijdens de rondvraag, of als deze niet op de agenda staat, aan het einde van de algemene vergadering, door een vergadergerechtigde een motie of voorstel worden ingediend om te beslissen of besluiten over het indienen van een agenderingsverzoek ex. art. 2:114a/224a BW.4 Wordt de motie of het voorstel in stemming gebracht en blijkt dat de meerderheid van het vertegenwoordigde kapitaal de motie of het voorstel steunt en deze meerderheid de voor het indienen van een agenderingsverzoek gestelde kapitaaldrempel overschrijdt, dan wordt het verzoek staande de vergadering ingediend. Aan het schriftelijkheidsvereiste, waarover par. 5.2.1, kan worden voldaan door de indiening van het agenderingsverzoek in de notulen op te laten nemen.
De indiening van het agenderingsverzoek staande de vergadering kan een beslissing of een (vernietigbaar) besluit zijn. De reden is dat moet worden aangenomen dat de algemene vergadering (zijnde een verzameling van aandeelhouders) de bevoegdheid toekomt een agenderingsverzoek als bedoeld in art. 2:114a/224a BW in te dienen. Degene die staande de vergadering wil dat door de algemene vergadering een agenderingsverzoek wordt ingediend, moet aldus kiezen of hij een motie tot indiening doet, of dat hij het verwoordt als een voorstel tot het nemen van een besluit een agenderingsverzoek in te dienen. Bij de te maken keuze zal onder meer meespelen: (i) wat in de statuten is bepaald over (de indiening van) moties en/of stemmeerderheden die voor besluiten gelden, (ii) dat een beslissing, in tegenstelling tot een besluit, niet vernietigd kan worden, (iii) dat het uitgangspunt dat het bestuur een aangenomen motie naast zich mag neerleggen (zie par. 2.4.6.3) hier genuanceerd moet worden omdat een ter vergadering bij motie ingediend agenderingsverzoek langs de lijnen van art. 2:114a/224a BW beoordeeld moet worden, en (iv) de voorzitter doorgaans zal willen voorkomen dat ter vergadering besluiten worden genomen die vernietigbaar zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de algemene vergadering in mijn visie (slechts) het agenderingsrecht van art. 2:114a/224a BW, met alle bijbehorende beperkingen heeft. Een recht van de algemene vergadering om een onderwerp op de agenda van de volgende algemene vergadering te plaatsen, bestaat volgens mij niet.5