Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/4.3.2.2:4.3.2.2 Werkgroep-Van Olffen, art. 19 lid 3
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/4.3.2.2
4.3.2.2 Werkgroep-Van Olffen, art. 19 lid 3
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS592804:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 4 lid 1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 2.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 3, concept-MvT, p. 93/94.
Bijvoorbeeld: als management-activiteiten een bedrijfsmatig karakter hebben (vgl. 3.3.2.1), kunnen interim-managers in het voorstel van de werkgroep geen maatschap aangaan en dus niet profiteren van deze disculpatiemogelijkheid.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 5 en 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen duidt als maatschap aan: de openbare vennootschap die is gericht op de uitoefening van een beroep.1 De werkgroep neemt tot regel dat de vennoten naast de maatschap voor gelijke delen zijn verbonden voor de prestaties waartoe de maatschap zich heeft verbonden.2 Op deze regel heeft zij de volgende uitzondering geformuleerd:3
“Indien een maatschap een opdracht heeft ontvangen die strekt tot het ver richten van een beroepshandeling, is lid 2 daarop niet van toepassing. In dat geval is iedere vennoot die met de uitvoering is belast naast de maatschap voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming of fout bij de nakoming, tenzij die niet aan hem kan worden toegerekend, de wet anders bepaalt of met de wederpartij anders is overeengekomen. Indien niet blijkt wie met de opdracht is belast, worden alle vennoten geacht daarmee belast te zijn.”
Dit voorstel lijkt op de zojuist besproken regeling uit het Ontwerp-Maeijer, maar wijkt daarvan af. Ik noem de opvallendste verschillen. De werkgroep past de disculpatiemogelijkheid niet toe op alle gevallen waarin aan de vennootschap een opdracht is verleend, maar stelt een dubbele eis: het moet gaan om (1) een beroepsvennootschap (maatschap) die (2) een opdracht tot het verrichten van beroepshandelingen heeft aanvaard. Over de gerechtvaardigdheid van deze voorkeursbehandeling ten opzichte van opdrachten die niet aan de dubbele eis voldoen, kan verschillend worden gedacht.4 Een tweede verschilpunt is dat de disculpatiemogelijkheid niet langer beperkt is tot gevallen van wanprestatie door de vennootschap, zoals in het Ontwerp-Maeijer. De werkgroep dekt tevens het geval van onrechtmatige daad af. Dit is een verbetering. Ten derde introduceert de werkgroep bij beroepshandelingen als regel dat niet iedere vennoot aansprakelijk is, maar slechts iedere vennoot die met de uitvoering is belast. Een niet met de uitvoering belaste vennoot hoeft zich niet te disculperen. Hij is überhaupt niet aansprakelijk. De werkgroep licht dit niet toe, maar snijdt kennelijk de pas af voor het ruime toerekenings-criterium dat Salomons voor ogen staat, dat interne controle en sturing aanmoedigt. De werkgroep lijkt hiermee verder te gaan dan een enkele analogische toepassing van artikel 7:407 lid 2 BW, zonder dit in de aanduiding van de rechtsvorm tot uitdrukking te brengen. Volgens mij gaat dat iets te ver.
Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen kent, net als het Ontwerp-Maeijer, bij de openbare vennootschap een variant met en een variant zonder rechtspersoonlijkheid.5 De hierboven besproken hoofdregel dat vennoten ‘naast de vennootschap’ aansprakelijk zijn, geldt voor beide varianten. De mogelijkheid van toerekening van een onrechtmatige daad aan ‘de vennootschap’ eveneens. Hieruit maak ik op dat de werkgroep niet alleen de maatschap-rechtspersoon, maar ook de maatschap zonder rechtspersoonlijkheid als rechtssubject opvat. Evenals het Ontwerp-Maeijer gaat de werkgroep er als vanzelfsprekend vanuit dat de vennootschap zelf zich niet kan disculperen. Voor ‘onschuldige’ vennoten brengt dit risico’s mee, die aanstonds worden besproken. Eerst ga ik nog in op de interne draagplicht bij beroepsfouten onder het Ontwerp-Maeijer en het voorstel van de werkgroep-Van Olffen.