Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.5.3
3.4.5.3 De inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509866:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 4.7.5, 4.7.10.3 en 4.7.10.4 en 4.7.12.3 en 4.7.12.4.
Zie bijvoorbeeld CBb 15 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:278 (Betalingsrechten).
HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn (Staat/Bolsius).
Vgl. HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325 m.nt. M.R. Mok, AB 2006/225 m.nt. G.A. van der Veen, JB 2006/69 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.3.3 (Staat/SFR).
HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4604, AB 2003/451 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2003/164 m.nt. E.C.H.J. van der Linden (Boter Export Holland/Productschap Zuivel).
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361 m.nt. P. van Schilfgaarde & J.W. Winter, AB 2016/343 m.nt. G.A. van der Veen (Onteigening SNS) en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, NJ 2015/266 m.nt. J.W. Zwemmer, AB 2016/344 m.nt. G.A. van der Veen & A.H.J. Hofman (KB-Lux). Ditzelfde geldt voor de inhoudelijke overwegingen die een bestuursorgaan aan een besluit ten grondslag heeft gelegd, zie HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1 (Chemours/Stedin I) en HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:12, NJ 2018/421 m.nt. H.J. Snijders (Chemours/Stedin II).
ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081, AB 2017/411 m.nt. K.J. de Graaf, A.T. Marseille & D. Sietses, JB 2017/152 m.nt. C.N.J. Kortmann, r.o. 9.12 (Interbest). Gezien het feit dat deze uitspraak is gedaan door een grote kamer, en gezien de samenstelling van deze kamer, is wat mij betreft de verwachting gerechtvaardigd dat de Afdeling bestuursrechtspraak niet alleen staat in deze opvatting.
HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382, NJ 2000/561, m.nt. M. Scheltema (Noord-Brabant/Janse).
De term is ontleend aan HR 16 oktober 1992, NJ 1993/638 m.nt. M. Scheltema, AB 1993/ 40 m.nt. F.H. van der Burg (Vulhop/Staat).
De vraag naar de gebondenheid van partijen en de schadevergoedingsrechter aan een voorafgaand oordeel van de bestuursrechter doemt ten slotte op wanneer de benadeelde zich – voorafgaand aan de schadevergoedingsprocedure – op het standpunt heeft gesteld dat een besluit van een bestuursorgaan moet worden vernietigd of herroepen wegens onjuiste informatieverstrekking. Een dergelijk standpunt kan bijvoorbeeld worden gegoten in de vorm van een beroep op het vertrouwensbeginsel, als dat erop neerkomt dat de burger er – door de informatieverstrekking – op mocht vertrouwen dat het bestreden besluit niet zou worden genomen of een andere inhoud zou hebben. Naar aanleiding van een dergelijk beroep zal de bestuursrechter in zijn uitspraak op het (hoger) beroep omtrent het bestreden besluit beoordelen of is voldaan aan de eisen voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Deze beoordeling komt erop neer dat wordt bezien of aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.1 Of deze beoordeling in het voordeel of nadeel van de burger uitvalt, is niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag óf de schadevergoedingsrechter zich iets zal aantrekken van het oordeel van de bestuursrechter. In beide gevallen zal de uitspraak van de bestuursrechter immers overwegingen bevatten die iets zeggen over (de onrechtmatigheid van) onjuiste informatieverstrekking.2
Als vertrekpunt voor de beantwoording van de vraag of de schadevergoedingsrechter aan deze overwegingen is gebonden, kan het arrest Staat/ Bolsius fungeren (paragraaf 3.4.3.1).3 In het arrest Staat/Bolsius werd de vrijheid van de burger erkend om te kiezen tussen het instellen van vernietigingsberoep en het instellen van een vordering uit onrechtmatige informatieverstrekking. De Hoge Raad overwoog dat het feit dat de bestuursrechter door onjuiste of onvolledige inlichtingen opgewekt vertrouwen dat in bepaalde zin zou worden beschikt, in het kader van het vernietigingsberoep onvoldoende heeft geoordeeld om het vervolgens in andere zin genomen besluit te vernietigen, de burgerlijke rechter niet zonder meer belet te oordelen dat het geven van die inlichtingen onzorgvuldig was en verplicht tot vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade. Uit het arrest Staat/Bolsius volgt dat het feit dat een besluit niet wordt vernietigd en dus formele rechtskracht behoudt, slechts meebrengt dat de burgerlijke rechter moet uitgaan van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van dat besluit. De formele rechtskracht noch de verwerping van een beroep op het vertrouwensbeginsel brengt mee dat geen plaats is voor de vaststelling van de onrechtmatigheid van informatieverstrekking in een schadevergoedingsrechtelijke vervolgprocedure. De burgerlijke rechter moet zich hierover zelfstandig een oordeel vormen.4
Het tamelijk onbekende arrest BEH/Productschap Zuivel illustreert dit.5 Hierin was een geschil aan de orde met betrekking tot landbouwuitvoerrestituties in verband met de export van boter naar de Duitse Democratische Republiek. Omtrent deze restituties was een aantal besluiten genomen, dat leidde tot een tweetal uitspraken van het CBb. In een opvolgende civiele procedure stelt BEH met een beroep op een van deze uitspraken dat een circulaire van het Productschap onjuiste informatie bevat over deze restituties. Zij wordt hierin niet gevolgd door het hof. In cassatie stelt BEH dat het hof heeft miskend dat de civiele rechter is gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de circulaire, indien die rechter de rechtmatigheid van een besluit heeft getoetst. Dit geldt ook voor juridische stellingen die (impliciet) door de bestuursrechter worden betrokken om tot zijn oordeel over de rechtmatigheid van overheidsbeslissingen te kunnen komen, aldus BEH. De Hoge Raad oordeelt dat deze rechtsopvatting met betrekking tot de gebondenheid van de civiele rechter aan oordelen van de bestuursrechter niet juist is. De Hoge Raad merkt vervolgens op dat er geen grond is de burgerlijke rechter in een procedure over een besluit gebonden te achten aan het oordeel dat de bestuursrechter in zijn uitspraak over een ander besluit heeft gegeven. Het hof was dan ook bevoegd om zelfstandig een oordeel te geven over de juistheid van de informatie uit de circulaire van het Productschap.
De schadevergoedingsrechter is dus niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over een besluit, zoals bevestiging vindt in recente rechtspraak.6 Over – bijvoorbeeld de onjuistheid en onrechtmatigheid van – informatieverstrekking moet de schadevergoedingsrechter zich zelfstandig een oordeel vormen.
Dit uitgangspunt geldt zelfs indien de onjuiste informatieverstrekking reeds als grondslag van een verzoek om schadevergoeding op basis van artikel 8:88 lid 1, aanhef en onder b, Awb is voorgelegd aan de bestuursrechter in het kader van de bestuursrechtelijke verzoekschriftprocedure. Stel dat de bestuursrechter, in een geval waarin hij bevoegd is voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt (artikel 8:89 lid 2 Awb), een verzoek afwijst of toewijst, en vervolgens een vordering bij de burgerlijke rechter wordt ingesteld. In dit geval is de burgerlijke rechter slechts gebonden in die zin dat hij vergoeding van schade waarover de bestuursrechter reeds heeft beslist, niet in afwijking van die beslissing alsnog kan afwijzen of toewijzen. Aan de oordelen van de bestuursrechter die dragend zijn voor de beslissing van diens uitspraak, zoals over de juistheid of onrechtmatigheid van een informatieverstrekking ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 8:88 lid 1, aanhef en onder b, Awb, is de burgerlijke rechter niet gebonden. Over het hogere bedrag beslist de burgerlijke rechter zelfstandig, ook omtrent de grondslag van de vordering.7
Het voorgaande betekent niet dat de uitspraak van de bestuursrechter van generlei waarde is. Het feit dat de schadevergoedingsrechter niet aan de overwegingen van de bestuursrechter gebonden is, neemt niet weg dat het hem vrij staat om aansluiting te zoeken bij die overwegingen. Met name de burgerlijke rechter heeft – om redenen van efficiëntie en vanuit de meergenoemde gedachten van specialiteit en concordantie – alle aanleiding om zijn uitspraak af te stemmen op een voorafgaande uitspraak van de bestuursrechter, voor zover deze uitspraak oordelen bevat die relevant zijn voor de beslechting van het schadevergoedingsgeschil, en voor zover deze oordelen hem niet onjuist of ongegrond voorkomen. Aan een uitspraak van de bestuursrechter komt dus wel degelijk betekenis toe, maar die betekenis is geen constante of een juridisch gegeven.
Stel dat de bestuursrechter overweegt dat inderdaad een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, maar dat dit niet gehonoreerd behoeft te worden in verband met het algemeen belang of de belangen van derden die in de concrete casus spelen. In dit geval heeft de schadevergoedingsrechter de vrijheid om het positieve vertrouwensoordeel van de bestuursrechter over te nemen. Hetzelfde geldt indien de bestuursrechter een beroep op het vertrouwensbeginsel verwerpt omdat in het geheel geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. In beide gevallen zal de schadevergoedingsrechter in de praktijk, in termen van het arrest Noord-Brabant/Janse (paragraaf 3.4.5.1),8 de uitspraak van de bestuursrechter in zijn overwegingen betrekken en daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan in die uitspraak gegeven oordelen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de informatieverstrekking. In die zin ontbreekt een strikte binding aan het oordeel van de bestuursrechter weliswaar, maar zal de burgerlijke rechter zijn oordeel niettemin niet vellen zonder acht te slaan op het voorafgaande bestuursrechterlijke oordeel. Ten minste een der partijen – waarschijnlijk de overheidspartij indien het beroep op het vertrouwensbeginsel, zoals meestal, faalt – zal daarbij ook alle belang hebben.
Van de uitspraak van de bestuursrechter zal in een opvolgende schadevergoedingsprocedure op zijn minst ‘overtuigende kracht’ uitgaan.9