Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.7
9.7 Gebruik van het enquêterecht door vakbonden in de praktijk
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381854:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Cools/Kroeze (2009), p. 72. In de periode 1994–1999 dienen de vakbonden slechts driemaal een enquêteverzoek in bij een niet-beursgenoteerde vennootschap. Hetzelfde geldt voor de periode 2000–2007. In de beide tijdvakken zijn geen enquêteverzoeken gedaan door een vakbond bij een beursvennootschap. Zie voor een volledig overzicht van de uitspraken tot 1 augustus 2004: GS Rechtspersonen/P.G.F.A. Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 2 (online laatst bijgewerkt op 1 augustus 2004). De laatste uitspraak in de periode 1971-2007 staat niet in de lijst van Geerts. Dit betreft OK 10 maart 2006, ARO 2006/60 (Eleveld Holding).
GS Rechtspersonen/P.G.F.A. Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 2 (online laatst bijgewerkt op 1 augustus 2004).
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco FernÁndez (Stork).
(OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39 m.nt. Brink (PCM) en OK 30 mei 2011, JOR 2011/219 m.nt. Bartman (Meavita).
OK 22 september 2008, JOR 2009/36 m.nt. Sprengers (Friesland Vlees) en OK 17 april 2008,JOR 2008/157 m.nt. Doorman (ABN AMRO), waarin de vakbonden het verzoek van de VEB als belanghebbenden ondersteunen.
Zie voor deze percentages Cools/Kroeze (2009), p. 72.
Sprengers (2005), p. 67.
Op de organisatiegraad van werknemers kom ik terug in § 9.8.4.7.
Zaal (2009), p. 50, voetnoot 47. Bij de beschikking van de OK op 3 mei 2007 (JOR 2007/143) inzake de verkoop van de LaSallle Bank aan de Bank of America waren de vakbonden niet betrokken. Op 2 augustus 2007 volgt een tweede zitting en dient het enquêteverzoek van de aandeelhouders naar de overnameperikelen. Nu voegen de (vier) vakbonden zich wel als belanghebbenden in de procedure. Zie OK 17 april 2008, JOR 2008/157 (ABN AMRO).
Zie Paas, e.a. (2007).
In 2003 dreigen FNV Bondgenoten en Abvakabo FNV bijvoorbeeld met een enquêteprocedure tegen het beloningsbeleid bij KPN, waardoor KPN grotendeels tegemoet kwam aan de bezwaren van de vakbonden. Zie hierover Holtzer (2004), p. 84-85. Zie ook Van Beurden, e.a. (2009), p. 17.
Van het Kaar (2004), onder commentaar en GS Rechtspersonen/P.G.F.A. Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 2 (online laatst bijgewerkt op 1 augustus 2008).
Van Beurden, e.a. ( 2009), p. 17.
Van Duren-Kloppert (2004), p. 47.
Van Solinge (2003), p. 6.
Zie ook Frenkel (1975), p. 132 en GS Rechtspersonen/P.G.F.A.Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 2 (online laatst bijgewerkt op 1 augustus 2008).
Van het Kaar (2004), 75, onder commentaar.
Geerts, diss. (2004), p. 89-90.
GS Rechtspersonen/P.G.F.A. Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 2 (online laatst bijgewerkt op 1 augustus 2008) en Van Beurden, e.a. (2009), p. 17.
Van Beurden, e.a. (2009), p. 36. Sprengers geeft de twee voorbeelden van enquêteverzoeken op feitelijk initiatief van de OR: OK 17 maart 1994, NJ 1995/408 (Janssen Pers) en OK 21 oktober 1999, JOR 1999/228 (Ysselwerf). Zie Sprengers (2003), p. 335-336.
OK 18 mei 2004, JOR 2004/95 (Esteves) waarin vakbond FNV Bondgenoten als verzoeker de enquête bij Esteves-DWD BV en Diamond Tools Group BV (DTG) verzoekt. FNV is destijds door de personeelsvertegenwoordiging van Esteves betrokken bij de zaak en is vervolgens overgegaan tot het verzoeken van de enquête.
Zie Van Beurden, e.a. (2009), p. 19, met verwijzingen.
Van der Aalst, e.a. (2004), p. 37-38.
Van het Kaar en J.C. Looise (1999), p. 137 en Goodijk en Sorge (2005), p. 50 e.v.
Van Ees, e.a. (2007), p. 6-7.
Opvallend is dat vakbonden zelden gebruikmaken van hun enquêtebevoegdheid. In de periode tussen de invoering van de enquêtebevoegdheid van 1971 tot en met 2007 dienen vakbonden in totaal zeventien keer een enquêteverzoek in.1 Het betreft vijftien eerstefasebeschikkingen en twee tweedefasebeschikkingen. In acht van de eerstefasebeschikkingen zijn de vakbonden succesvol. Van de overige zeven eerstefasebeschikkingen verklaart de OK één verzoek niet ontvankelijk vanwege het niet in acht nemen van de redelijke termijn van art. 2:349 lid 1 BW, houdt zij de behandeling van twee verzoeken aan en wijst zij vier andere verzoeken af omdat er geen gegronde redenen waren om aan een juist beleid te twijfelen.2 De vakbond voegt zich voorts eenmaal als belanghebbende in een enquêteprocedure.3 In al deze procedures, en dat is weinig verrassend, is de werkgelegenheid steeds mede in het geding. Vanaf 2008 zijn mij nog vier zaken bekend waarin de vakbond als verzoeker optreedt. Tweemaal gelast de OK een onderzoek,4 en wijst zij een enquêteverzoek af.5
Uit voornoemde resultaten blijkt dat er in een meerderheid van de zaken sprake is van een positieve uitkomst voor de vakbond. Het succespercentage van 53% in de periode 1971-2007 wijkt voor vakbonden niet substantieel af van het gemiddelde succespercentage van 62% voor alle verzoekers in die periode.6 Toch leggen vakbonden de weg naar de enquêterechter niet vaak af. De vraag wat de oorzaken daarvan zijn heeft in de literatuur al de nodige aandacht gehad. Ik vat ze als volgt samen:
de belangrijkste afweging voor vakbonden bij de keuze om al dan niet gebruik te maken van het enquêterecht is of er voldoende leden binnen de vennootschap werkzaam zijn die het rechtvaardigen om de schaarse vakbondsmiddelen en -tijd in te zetten.7 De vakbonden lijken niet snel geneigd een enquêteprocedure te starten bij een vennootschap waarin zij weinig leden hebben.8 Zo was de organisatiegraad onder de werknemers bij ABN AMRO voor FNV Bondgenoten aanvankelijk een van de redenen om zich niet te voegen;9
de vakbonden aarzelen om een enquêteverzoek in te dienen omdat dit enkele verzoek de verhouding met de (leiding van de) onderneming kan verslechteren;10
de preventieve werking die uitgaat van het enquêterecht: vakbonden dienen voorafgaand aan het indienen van een enquêteverzoek schriftelijk hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken kenbaar te maken bij de rechtspersoon (art. 2:349 lid 1 BW). Dit kan ertoe leiden dat die rechtspersonen alsnog de gewenste maatregelen nemen voordat de enquêteprocedure aanvangt;11
de duur van de procedure: vóór 1994 kon de OK geen onmiddellijke voorzieningen treffen waardoor de uitkomst van het onderzoek als mosterd na de maaltijd dreigde te komen;12
de vakbonden geven de voorkeur aan het gebruik van collectieve acties, omdat deze sneller inzetbaar zijn, (op dat moment) minder kosten en dus effectiever zijn;13
een onderwerp dat behoort tot de core business van de vakbonden, te weten het beloningsbeleid, zal slechts onder extreme omstandigheden aanleiding geven tot een enquête;14
de vakbonden verkeren in crisis;15
de vakbonden zijn bang voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van art. 2:350 lid 2 BW wanneer het verzoek niet op redelijke grond is gedaan;16
de relatief sterke positie die de ondernemingsraad binnen de onderneming inneemt sinds de introductie van het beroepsrecht met wijziging van de WOR in 1979;17 met dit beroepsrecht worden de belangen van de werknemers in veel gevallen al voldoende behartigd door de ondernemingsraad via de art. 26 WOR-procedure;18
de vakbonden beschikken over te weinig informatie om een goed onderbouwde enquête te verzoeken;19
de ondernemingsraad doet niet vaak een beroep op de vakbonden om een enquêteverzoek in te dienen, mede omdat hij afhankelijk is van wat de vakbonden er mee doen.20
Aan de laatste twee oorzaken ligt volgens mij mede ten grondslag dat tussen ondernemingsraden en vakbonden in de praktijk nauwelijks sprake is van samenwerking bij het al dan niet instellen van een enquêteverzoek. Hoewel de vakbond in de Esteves-beschikking21 bij de zaak is betrokken door de personeelsvertegenwoordiging van Esteves, is het benaderen van de vakbond in de praktijk nog niet zo eenvoudig. Het veronderstelt dat er een zekere ‘relatie’ tussen de vakbond en de ondernemingsraad bestaat. Die relatie en samenwerking tussen de vakbond en de ondernemingsraad laat sinds de jaren 80 van de vorige eeuw in veel situaties echter nog te wensen over.
In 1985/86 zegt 71% van de ondernemingsraden vrijwel nooit contact te hebben met de vakbonden en ruim 10 jaar later, in 1998, is dit percentage zelfs lager: 66%.22 De Monitor medezeggenschap 2000-2003 benoemt die relatie ruim 15 jaar later als “van conflict naar samenwerking”. Na aanvankelijke conflicten over de rolverdeling lijken de ondernemingsraad en de vakbond elkaar gevonden te hebben. Mede door maatschappelijke veranderingen zoals de flexibilisering van arbeidsverhoudingen lijkt een einde te komen aan de machtsstrijd en wordt er vaker gedacht aan samenwerking. Uit De Monitor Medezeggenschap blijkt voorts dat het contact met de vakbonden verbetert. Bijna 74% van de ondernemingsraden heeft contact met de vakbond en ongeveer de helft daarvan heeft zelfs regelmatig contact met de vakbond. Tevens zegt 68% van de ondernemingsraden tevreden te zijn over hun relatie met de vakbond. Dit komt wellicht mede doordat ruim 60% van de ondernemingsraadleden tevens lid is van een vakbond.23 In 2005 zegt 67% van de ondernemingsraden nog steeds voorstander te zijn van meer samenwerking tussen de vakbonden en henzelf.24
Van Ees, e.a. doen in 2007 onderzoek naar de medezeggenschapstructuren in Nederlandse ondernemingen. Uit dit onderzoek komt een ander beeld naar voren. Binnen de (meer of minder) grensoverschrijdende Nederlandse ondernemingen is nog nauwelijks sprake van een structurele samenwerking met de vakbonden. Binnen deze ondernemingen heeft de vakbond over het algemeen moeite om de strategie te beïnvloeden en begeeft zij zich vaak teveel op het ‘terrein’ van de ondernemingsraden. Er is in veel situaties derhalve sprake van onderlinge concurrentie of een conflict.25 Zoals ik hierboven schrijf, zou dit laatste een verklaring kunnen zijn voor het feit dat de ondernemingsraad zelden een beroep doet op de vakbond om gebruik te maken van haar enquêterecht. Dat zou nader onderzocht moeten worden, maar een dergelijk onderzoek gaat het bestek van de vraagstelling in deze dissertatie te buiten.