Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.1.2
III.1.2 De voorgeschiedenis
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374901:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 10.
Zie Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 16-17.
Nota NGB (1978), p. 6-7.
Zie ook de toelichting bij het voorontwerp uit 1981 (p. 1), waarin de minister herhaalde dat de regeling ertoe strekte een uitweg te bieden in geval van geschillen tussen aandeelhouders die de samenwerking ernstig bemoeilijkten.
De gedachte van het NGB vond dus geen gehoor. Zie de toelichting bij het voorontwerp uit 1981 (p. 5-6). Art. 336 lid 1 van het voorontwerp uit 1981 luidde: 'Van een aandeelhouder die de samenwerking in de vennootschap ernstig bemoeilijkt en daardoor het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld, kan worden gevorderd dat hij zijn aandelen overdraagt.'
Toelichting bij het voorontwerp (1981), p. 27. Art. 343 lid 1 voorontwerp 1981 luidde: 'De aandeelhouder die door gedragingen van de vennootschap of van een of meer aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan van de vennootschap of van die aandeelhouder of aandeelhouders in rechte vorderen, dat dezen zijn aandelen overnemen.' Zie voor de (gewijzigde) positie van de vennootschap § IV.4.5.
Sanders (1988), p. 251, schreef in dit verband dat de titel van het wetsvoorstel (Invoering van een geschillenregeling in besloten vennootschappen en bepaalde naamloze vennootschappen') vrij onschuldig klonk, maar het in feite ging om wangedrag van aandeelhouder.
In het wetgevingstraject merkte de minister later op dat het belang van de vennootschap doorgaans samenviel met het belang van de aandeelhouders. De eisers in een uitstotingsprocedure waren dus indirect in hun eigen rechten en/of belangen geschaad, wat mede reden kon zijn voor het instellen van een vordering ex art. 2:336 lid 1 BW. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 3.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 7-8.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 16-17. Deze restrictie bracht automatisch mee dat de vennootschap de vordering niet kan instellen, zelfs niet als zij eigen aandelen houdt. Omdat de vennootschap op eigen aandelen geen stemrecht kan uitoefenen, ondervindt zij ook niet als aandeelhouder problemen van de gedragingen van medeaandeelhouders. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 17.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 25-26. Overigens kon het gedrag van de vennootschap zelf niet tot uittreding leiden. De enquêteprocedure was voor dergelijke situaties de geëigende weg. Zie art. 7A:1684 BW voor de (partiële) ontbinding bij een personenvennootschap, opgenomen in art. 820 lid 1 Wv Personenvennootschap.
De Commissie Vennootschapsrecht zocht in 1975 de grondslag voor de maatregelen van de geschillenregeling in de misdragingen van de aandeelhouder.1 De grond voor uitstoting lag in het feit dat het aandeelhouderschap van de medeaandeelhouder niet langer kon worden geduld, omdat hij met zijn gedrag het belang van de vennootschap schaadde. Deze voorgestelde wettekst wijkt niet veel af van de formulering van het uiteindelijke art. 2:336 lid 1 BW. Voor toewijzing van de uittredingsvordering legde de Commissie Vennootschapsrecht geen verband met het belang van de vennootschap, maar knoopte zij aan bij de privésfeer. Indien een aandeelhouder in zijn eigen rechten en belangen werd geschaad door een medeaandeelhouder, kon eerstgenoemde uittreden indien het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kon worden gevergd. Ook deze grond is (grotendeels) ongewijzigd in de huidige wet (art. 2:343 lid 1 BW) terecht gekomen.2
Het NGB kon zich niet geheel vinden in het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht. Het constateerde dat de geschillenregeling beperkt was tot geschillen tussen aandeelhouders in kwaliteit van aandeelhouder. Bij de uitstoting werd echter te sterk benadrukt dat het ging om het schaden van het belang van de vennootschap. De gedraging moest een directe oorzaak van dat schaden zijn. Dit ging het NGB niet ver genoeg. Concurrentie aandoen was een gedraging die het belang van de vennootschap niet direct raakte, maar was reden genoeg om de samenwerking te verbreken. De norm voor uitstoting diende dus verruimd te worden. Niet alleen het belang van de vennootschap, maar ook de (onmogelijkheid van) samenwerking moest een grond voor uitstoting zijn.3
In het voorontwerp van wet uit 1981 werd de suggestie van het NGB niet overgenomen. Uitstoting diende pas mogelijk te zijn indien de aandeelhouder de samenwerking in de vennootschap ernstig bemoeilijkte én zo het belang van de vennootschap schaadde.4 Bij de aard van de gedraging stelde de toelichting wel enige nadere restricties. Het moest bij uitstoting gaan om het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap. De enkele gedraging die 'slechts' het belang en de goede naam en faam van de vennootschap schaadde, mocht geen aanleiding geven tot uitstoting. Het ging erom dat de besluitvorming werd verlamd en het functioneren van de vennootschap in gevaar werd gebracht. Een precisering van de aard van de gedraging was volgens de minister nodig. Het ging immers om het bemoeilijken van de samenwerking in de vennootschap. Het gevolg van deze voorgestelde verenging van de uitleg van de toetsingsnorm was dat concurrerende handelingen niet een grond voor uitstoting vormden. Zo werd het gedrag van de aandeelhouder 'losgekoppeld' van het belang van de vennootschap, omdat anders het toepassingsgebied van de geschillenregeling onnodig ver werd uitgebreid. De uitstoting moest een impasse doorbreken, een impasse die het voorbestaan van de vennootschap in gevaar bracht. Hinderlijk of onaanvaardbaar gedrag kon leiden tot schadevergoeding, maar was geen grond voor uitstoting.5
De uittreding was volgens het voorontwerp uit 1981 mogelijk in de gevallen waarin een aandeelhouder zodanig in zijn rechten en belangen werd geschaad, dat van hem niet kon worden gevergd langer aandeelhouder te blijven. De wettelijke regeling bood zo een uitweg uit een situatie waarin geen redelijke oplossing voorhanden was, omdat in een besloten verhouding de overdracht van aandelen `op normale wijze' onmogelijk was.6 De Commissie Vennootschapsrecht had deze norm al in 1975 geïntroduceerd, en gezien het feit dat de adviserende instanties op dit punt geen commentaar hadden, lag de handhaving voor de hand.
De grond voor uitstoting in het ingediende wetsvoorstel van 1985 luidde identiek aan de uiteindelijke tekst van de eerste zin van art. 2:336 lid 1 BW.7 Het ging en het gaat om een aandeelhouder die met zijn gedragingen het vennootschappelijk belang zodanig schaadt, dat hij in redelijkheid niet langer als aandeelhouder kan worden geduld.8 Ook bij de uittreding is de grond in art. 2:343 lid 1 BW dezelfde als hetgeen reeds in 1981 werd voorgesteld. Indien de rechten en belangen van een aandeelhouder door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig worden geschaad, dat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd nog langer aandeelhouder te blijven, mag hij uittreden.
Uit de toelichting was een aantal situaties te destilleren waarvoor de geschillen-regeling een oplossing zou kunnen en mogen bieden. Groepen aandeelhouders konden tegenover elkaar staan. Dit bemoeilijkte de samenwerking. Hierbij gold dat sprake moest zijn van onmogelijkheid of dreigende onmogelijkheid van samenwerking. Zo belemmerde men 'een goede gang van zaken' en de besluitvorming in de vennootschap werd verlamd. Voorts kon een meerderheid een minderheidsaandeelhouder in een onhoudbare positie brengen. De moeilijkheden waren vooral te verwachten bij familievennootschappen, omdat de aandeelhouders zich dan nauwer betrokken voelden dan de gemiddelde beleggende aandeelhouder.9
Bij de uitstoting stond in de toelichting een belangrijke restrictie. Het criterium strekte zich enkel uit tot het gedrag van de aandeelhouder in die hoedanigheid, dus binnen de vennootschap. De minister bleef dus bij de in 1981 in het voorontwerp gehanteerde verenging. De concurrentie 'buiten de vennootschap om' mocht geen grond voor uitstoting zijn. De gedragingen moesten de besluitvorming verlammen en vervolgens het functioneren en voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengen. Het criterium voor uitstoting was hiermee dus zwaarder dan de norm die gold voor het toekennen van schadevergoeding (op grond van onrechtmatige daad). Enkel hinderlijk of onaanvaardbaar gedrag was onvoldoende. De aandeelhouder kon dan rekenen op kritiek in de aandeelhoudersvergadering of een verbodsactie danwel een schadevergoedingsvordering tegemoet zien. Van een reden tot uitstoting was echter geen sprake.10
De grond voor uittreding kende volgens de minister de beperking tot gedrag 'in hoedanigheid van aandeelhouder' niet. Indien de positie van een aandeelhouder onhoudbaar was geworden door het gedrag van de andere aandeelhouders, was uittreding gerechtvaardigd. De aandeelhouder diende in een benarde situatie te verkeren. Ook hier gold, weliswaar via een omweg, dat het belang van een goede samenwerking in het vennootschapsverband op het spel stond. Het criterium van art. 2:343 lid 1 BW was volgens de toelichting overigens enger dan de ontbindingsgrond 'wegens gewichtige redenen' voor een personenvennootschap.11
Uit de wetsgeschiedenis blijkt de zienswijze van de wetgever op de invulling van toetsingsnormen van de uitstoting en uittreding. Het is interessant te bezien of in de praktijk dezelfde invulling plaatsvindt, en wat men van de toetsingsnormen vindt. In de volgende twee paragrafen ga ik daarom in op de jurisprudentie en de literatuur over de toetsingsnormen afzonderlijk.