Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.5.1
8.5.1 Raakvlakken tuchtrecht en de geschiktheidstoets
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268475:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1.2.1 Beleidsregel Geschiktheid en vergelijkbare bepalingen neergelegd in hoofdstuk 6 van de Richtsnoeren, waaronder art. 59 in combinatie met de EBA-Richtsnoeren inzake interne governance van 26 september 2017 (EBA/GL/2017/11), art. 61 en bijbehorende Annex II en art. 64. In de Richtsnoeren worden eerlijkheids- en integriteitsnormen echter hoofdzakelijk geschaard onder de toets aan Goede reputatie, eerlijkheid en integriteit (hoofdstuk 8), het equivalent van de Nederlandse betrouwbaarheidstoets. Ook bevatten de Richtsnoeren, anders dan de Beleidsregel Geschiktheid, geen expliciete bepalingen voor het centraal stellen van de belangen van de klant.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder A, Beleidsregel Geschiktheid.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder B, Beleidsregel Geschiktheid. Vergelijk ook de expertisegebieden genoemd in art. 64 van de Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder A, Beleidsregel Geschiktheid.
De Bijlage bij art. 1.2, eerste lid, Beleidsregel Geschiktheid bevat een lijst met mogelijk relevante competenties. De Richtsnoeren bevatten een vrijwel gelijke lijst aan competenties, zie art. 61 en bijbehorende Annex II.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder C, Beleidsregel Geschiktheid.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder D, Beleidsregel Geschiktheid.
Onderdeel e, i en o van de Bijlage bij art. 1.2, eerste lid, Beleidsregel Geschiktheid en art. 61 en bijbehorende Annex II en art. 82 van de Richtsnoeren.
Art. 1.2, eerste lid, aanhef en onder A en C, Beleidsregel Geschiktheid.
Dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon van banken dienen geschikt te zijn voor de uitoefening van hun functie. Met “geschikt” wordt niet alleen gedoeld op de aanwezigheid van de benodigde kennis, werkervaring en bepaalde (financiële) expertise, maar ook op vaardigheden (competenties) en professioneel gedrag. Bij de geschiktheidstoets wordt dus nadrukkelijk niet alleen gekeken naar iemands inhoudelijke kennis. Professioneel gedrag, waarvan ook integer handelen en evenwichtige belangenafweging belangrijke elementen zijn, weegt minstens zo zwaar.1
Het begrip geschiktheid bevat daarmee diverse elementen die corresponderen met de Gedragsregels. Zo ziet geschiktheid onder meer op het naleven van “algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen”.2 Deze norm vertoont grote gelijkenissen met Gedragsregel 1: “de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig”. Geschiktheid ziet voorts ook op de relevante wet- en regelgeving ten aanzien van de producten, diensten en markten waarop de onderneming actief is.3 Vergelijk Gedragsregel 4: “de bankmedewerker houdt zich aan de wet en andere regels die voor het werk bij de bank gelden”.
Ook wordt onder geschiktheid verstaan het tijdig, juist en duidelijk informeren van klanten en van de toezichthouder.4 Een voor de beoordeling van de geschiktheid potentieel relevante competentie is de competentie Authenticiteit.5 Hieronder wordt, onder andere, verstaan: “het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid en de toezichthouder juist informeren over de werkelijke situatie en erkennen van risico’s en problemen naar de toezichthouder.” Hier liggen parallellen met Gedragsregel 6: “de bankmedewerker is open en eerlijk over zijn of haar gedrag en kent zijn of haar verantwoordelijkheid voor de samenleving”.
Geschiktheid ziet voorts ook op de zorgvuldige behandeling van klanten,6 en op een evenwichtige en consistente besluitvorming, waarbij onder meer de belangen van klanten en andere stakeholders een centrale positie innemen.7 De Beleidsregel Geschiktheid noemt daarbij de competentie Klant- en kwaliteitsgerichtheid: “Signaleert en onderzoekt de wensen en behoeften van klanten en handelt hiernaar, laat klanten geen onnodig risico lopen en zorgt voor juiste, volledige en evenwichtige informatieverstrekking aan klanten. Een transparant verkoopproces, zorgvuldige dienstverlening en passend advies staan hierbij centraal”, de competentie Onafhankelijkheid: “herkent en anticipeert op situaties waarin persoonlijke en zakelijke belangen (potentieel) conflicteren” en de competentie Verantwoordelijkheid: “heeft inzicht in interne en externe belangen, weegt deze zorgvuldig af en legt hierover verantwoording af.”8 Dergelijke elementen liggen in lijn met Gedragsregel 2: “de bankmedewerker maakt een zorgvuldige afweging van belangen”, en Gedragsregel 3: “de bankmedewerker stelt de belangen van de klant centraal” en de hiervoor genoemde Gedragsregel 6.
Gedragsregel 5: “de bankmedewerker houdt vertrouwelijke informatie geheim”, komt niet letterlijk terug in de geschiktheidseisen maar kan worden begrepen onder de algemene eisen tot het naleven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen, en de geschiktheid ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering, waaronder de administratieve organisatie en interne controle, risicomanagement en compliance.9