Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/11.3
11.3. Erfrechtelijke bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in Duitsland
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS617996:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.3.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag CH. Beck 2001, p. 1338.
Zie ook, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag CH. Beck 2001, p. 1338.
Zie noot 82.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 351 e.v.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 351. Zie ook, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag CH. Beck 2001, p. 1338.
Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 313.
Zie Sudhoff, Unternehmensnachfolge, München: Verlag CH. Beck 2005, p. 376. Ruby verschaft een overzichtelijk schema, waaruit kan worden afgeleid wanneer, welk ‘agrarisch erfrecht’ geldt. Zie Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 354.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. De vraag of dit hoge percentage wellicht een gevolg van deze stiefmoederlijke behandeling is, wordt door Ruby evenwel niet gesteld.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352.
Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, München: Verlag CH. Beck 2007, p. 2227. Hausmann nuanceert deze – onder meer in de rechtspraak aangetroffen – opvatting door onder meer te wijzen op de invloed van erflaters huwelijksvermogensregime voor een (on)gedeelde eigendom van een Landgut en de mogelijkheden om via een gefaseerde opvolging de onderneming in te laten overgaan. Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 261 e.v.
Deze waarde kan ook bij een echtscheiding in aanmerking genomen worden; § 1376 BGB.
Art. 137 EGBGB. Zie voor een gedetailleerde beschrijving van de verhouding tussen de landelijke en deelstatelijke wetgeving in dezen, Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 174 e.v.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. Indien in de desbetreffende deelstaat een kapitalisatiefactor ontbreekt, wordt aanbevolen het jaarlijkse netto-rendement met 18 te vermenigvuldigen. Zie voor een overzicht van de kapitalisatiefactoren in de verschillende deelstaten, Gerhard Ruby, Landwirtschaftserbrecht: Das Landgut im BGB, ZEV 6/2007, p. 265.
Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, München: Verlag CH. Beck 2007, p. 2417.
Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, München: Verlag CH. Beck 2007, p. 2417. Zie ook, Sudhoff, Unternehmensnachfolge, München: Verlag CH. Beck 2005, p. 381, en Gerhard Ruby, Landwirtschaftserbrecht: Das Landgut im BGB, ZEV 6/2007, p. 264. Zie verder § 98 BGB, waarin een omschrijving van de tot een Landgut behorende, agrarische ‘hulpmiddelen’ is gegeven.
Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, München: Verlag CH. Beck 2007, p. 2417.
Zie voor een overzicht van diverse criteria, Gerhard Ruby, Landwirtschaftserbrecht: Das Landgut im BGB, ZEV 6/2007, p. 264, 265.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag CH. Beck 2001, p. 906. Volgens Hausmann is het ontbreken van een dergelijke regeling de ‘Hauptmangel des BGB-Landguterbrechts’. In haar dissertatie onderzoekt zij verschillende mogelijkheden binnen het vermogensrecht in het algemeen en het (agrarisch) erfrecht in het bijzonder om tot een verrekening van een eventuele meerwaarde te kunnen komen. Zie Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 208253 en p. 275-285. De mogelijkheden om, zonder een uitdrukkelijke voorziening, in het kader van een overeengekomen nalatenschapsverdeling tot een verrekening te komen, zijn volgens Hausmann aanmerkelijk groter dan in de – door de wetgever vormgegeven – (rechts)-verhouding tussen een bedrijfsopvolger en een onterfde legitimaris. Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 285.
Het Anerbenrecht bestaat naast het BGB. Art. 64, eerste lid EGBGB bepaalt: ‘Unberührt bleiben die landesgesetzlichen Vorschriften über das Anerbenrecht in Ansehung landwirtschaftlicher und forstwirtschaftlicher Grundstücke nebst deren Zubehör.’
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag CH. Beck 2001, p. 1338.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. Er zijn deelstatelijke regelingen waarin bijvoorbeeld het oudste kind nog als Hoferbe wordt aangemerkt. Zie bijvoorbeeld § 7a BadHofGG.
Art. 64 Abs. 2 EGBGB bepaalt: ‘Die Landesgesetze können das Recht des Erblassers, über das dem Anerbenrecht unterliegende Grundstuck von Todes wegen zu verfügen, nicht beschränken.’ De erflater kan kiezen uit het beschikbare Anerbenrecht óf de voorzieningen uit het BGB en dit, waar mogelijk binnen de gekozen regelingen, van een eigen invulling voorzien. Het wordt niet mogelijk geacht om beide regelingen met elkaar te ‘vermengen’. Zo kent het Anerbenrecht voor het bepalen van de overbedelingsvergoeding ‘kwantitatief dwingend recht’. § 12 Abs. 2 HöfeO verwijst voor de waardebepaling bijvoorbeeld naar § 48 van het – fiscaalrechtelijke – BewG. Binnen het Anerbenrecht van de HöfeO is een lagere waarderingsgrondslag niet mogelijk. Wenst de erflater dat de vergoeding op een dergelijke, lagere grondslag wordt vastgesteld, dient hij voor de toepassing van het BGB-erfrecht te kiezen. Zie Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 353. Zie ook, Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 397.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. Deze verklaring dient in notariele vorm te worden opgemaakt en in het Grundbuch te worden ingeschreven. De verklaring kan ‘herroepen’ worden door een later ingeschreven Hoferklärung. Het Hofvermerk in het Grundbuch levert slechts een vermoeden op dat de desbetreffende regeling op de vererving van toepassing is, nu ten tijde van het overlijden aan de definitie van § 1 Abs. 1 HöfeO voldaan dient te worden. Zie ook, Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 396.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. Hij constateert voorts dat onder meer als gevolg van voor agrariers beschikbare oudedagsvoorzieningen, de vorweggenommene Erbfolge de vererving van het ‘boerenbedrijf’ van het toneel heeft verdrongen. Overigens kan de Ertragswert als faciliteit dan ook een rol spelen bij de bepaling van de omvang van de Pflichtteilsergänzungsansprüche. Zie daarover paragraaf 2.2.
Naast deze Sondererbfolge bestaan in Duitsland ook deelstatelijke regelingen waarin aan de voortzetter een overnamerecht op een ‘Hof’ wordt verstrekt. Zie bijvoorbeeld § 10 Abs. 1 BadHofGG, waarin een overnamerecht met betrekking tot de Hof tegen vergoeding van de Ertragswert wordt verstrekt, welke vergoeding, waarover een rente van 4% wordt berekend, uiterlijk in vijf jaarlijkse termijnen dient te worden uitgekeerd.
Zie bijvoorbeeld, Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 396.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 352. Deze omschrijving doet denken aan de wettelijke verdeling (art. 4:13 e.v. BW), maar dan voor uitsluitend de agrarische onderneming en voorzien van waarderingsregels. Indien men de nadruk legt op het feit dat het de wetgever en niet de erflater is, die de verdeling tot stand brengt, ligt een vergelijking met de ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW oud) minder voor de hand.
Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 398. Een zelfde kanttekening kan bij een eventuele toepassing van de WOZ voor heffing van successierecht worden gemaakt. Zie hoofdstuk 4, § 6.3.
Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 398.
Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 398. De ‘bovengrens’ wordt gevormd door de waarde waarbij een bedrijfseconomische voortzetting net niet meer mogelijk is. Zie ook noot 105.
Zie daarover, Felizita Söbbeke, Landwirtschaftsrecht; Die Nordwestdeutsche HöfeO, ZEV 9/2006, p. 399.
§ 14 GrdstVG.
Gerhard Ruby, Das Landwirtschaftsrecht: Ein Überblick, ZEV 8/2006, p. 351. Zie ook, Sudhoff, Unternehmensnachfolge, München: Verlag CH. Beck 2005, p. 376.
In het erfrecht bepaalt erflater primair het erfrechtelijke ‘lot’ van zijn onderneming, door tijdens leven of bij overlijden werkende voorzorgmaatregelen te treffen, die dienen te voorkomen dat de onderneming versnippert of als gevolg van liquiditeitenonttrekkende, erfrechtelijke aanspraken ten onder gaat.1
Het BGB heeft als zodanig niet veel goeds voor de onderneming in petto, hetgeen in Lange/Kuchinke als volgt wordt verwoord:
‘Das BGB begunstigt den Zerfall einer Wirtschaftseinheit.’2
Indien de onderneming door het overlijden deel uit gaat maken van een er-vengemeenschap, kan immers iedere erfgenaam te allen tijde verdeling vorderen (§ 2042 Abs. 1 BGB), welke bevoegdheid door de erflater binnen zekere grenzen kan worden uitgesloten (§ 2044 Abs. 2 BGB).
De verdeling geschiedt door een Teilung in Natur (§ 752 Abs. 1 BGB). Indien een Realteilung niet plaatsvindt, resteert de Teilung durch Verkauf (§ 753 BGB).3
De erflater die het ontstaan van een ervengemeenschap wenst te voorkomen, bijvoorbeeld door het gebruik van een ‘Alleinerben-Vermächtnis-Modell’,4 vindt het Pflichtteil op zijn weg, dat – zo bleek in de vorige paragrafen – een lastig te omzeilen economische hindernis voor een bedrijfsopvolging kan zijn.
De conclusie luidt dan ook:
‘Die Existenz der Landwirtschafstbetriebe ist – wie die anderer Unternehmen auch – erbrechtlich vor allem durch Pflichtteilsansprüche oder dann bedroht, wenn der Betrieb an eine Erbengemeinschaft fällt.’5
De Duitse wetgever heeft ten behoeve van de Landwirtschaft voorzien in een ‘bijzonder erfrecht’, destijds met het oog op het zekerstellen van ‘voeding’ voor de Duitse bevolking alsmede de ‘agrarpolitische Interesse an leistungsfähigen Hofen in der Hand bäuerlicher Familien’.6 Volgens onder andere Hausmann is deze doelstelling onder de huidige maatschappelijke en economische omstandigheden niet meer valabel, en dienen de regelingen voornamelijk het belang van een erflater die zijn agrarische onderneming als eenheid binnen zijn familie wenst te behouden.7
In deze paragraaf zal ik – op hoofdlijnen – dit bijzondere erfrecht en de daarin opgenomen voorzieningen schetsen, met het doel om in beeld te brengen op welke wijze de Duitse wetgever de hiervoor in het citaat bedoelde, erfrechtelijke, economische en juridische bedreigingen het hoofd biedt.
Men kan het Landwirtschaftsrecht onderscheiden in het BGB-Landguterbrecht en het Anerbenrecht. De regeling in het BGB (§ 2049, 2312 BGB) geldt in alle deelstaten, met dien verstande dat deze voor de deelstaten die een Anerbenrecht kennen, slechts werkt als dat Anerbenrecht niet van toepassing is. Kenmerkend voor het Anerbenrecht is dat het geen uniforme, voor alle deelstaten geldende regeling bevat.
Er kunnen voor de toepassing van het Landwirtschaftsrecht vier deelgebieden worden onderscheiden, te weten het gebied waarin de HöfeO geldt, het gebied waarin ‘landesrechtlichen Anerbengesetze’ gelden, de overige deelstaten waarin slechts het BGB geldt en de nieuwe – tot het voormalige Oost-Duitsland – behorende deelstaten.8
BGB-Landguterbrecht
De meeste erfrechtelijke, agrarische bedrijfsopvolgingen, als van een opvolging door overlijden al sprake is, worden door het BGB-Landguterbrecht (§ 2049, 2312 BGB) beheerst. De stiefmoederlijke behandeling van deze opvolging in het BGB, in slechts twee artikelen, doet zich evenwel niet nadrukkelijk gevoelen omdat meer dan 90% van de agrarische bedrijfsopvolgingen zich tijdens leven afspeelt.9
De volgende bepalingen zijn in het BGB aan het Landguterbrecht gewijd:
§ 2049 BGB (Übernahme eines Landguts) luidt als volgt:
‘(1) Hat der Erblasser angeordnet, dass einer der Miterben das Recht haben soll, ein zum Nachlass gehorendes Landgut zu übernehmen, so ist im Zweifel anzunehmen, dass das Landgut zu dem Ertragswert angesetzt werden soll.
(2) Der Ertragswert bestimmt sich nach dem Reinertrag, den das Landgut nach seiner bisherigen wirtschaftlichen Bestimmung bei ordnungsmäßiger Bewirtschaftung nachhaltig gewähren kann.’
§ 2312 BGB (Wert eines Landguts) luidt als volgt:
‘(1) Hat der Erblasser angeordnet oder ist nach § 2049 anzunehmen, dass einer von mehreren Erben das Recht haben soll, ein zum Nachlass gehörendes Landgut zu dem Ertragswert zu übernehmen, so ist, wenn von dem Recht Gebrauch gemacht wird, der Ertragswert auch für die Berechnung des Pflichtteils maßgebend. Hat der Erblasser einen anderen Übernahmepreis bestimmt, so ist dieser maßgebend, wenn er den Ertragswert erreicht und den Schatzungswert nicht übersteigt.
(2) Hinterlässt der Erblasser nur einen Erben, so kann er anordnen, dass der Berechnung des Pflichtteils der Ertragswert oder ein nach Absatz 1 Satz 2 bestimmter Wert zugrunde gelegt werden soll.
(3) Diese Vorschriften finden nur Anwendung, wenn der Erbe, der das Landgut erwirbt, zu den in § 2303 bezeichneten pflichtteilsberechtigten Personen gehört.’
Blijkens § 2049 Abs. 1 BGB dient de erflater – bij uiterste wilsbeschikking –uitdrukkelijk te bepalen dat een erfgenaam het recht heeft om een Landgut voort te zetten; dit recht bestaat niet van rechtswege. Deze beschikking dient naar algemeen wordt aangenomen als een ‘bedingte Teilungsanordnung’ (zie § 2048 BGB) en niet als een (pre)legaat te worden beschouwd.10
De faciliteit kan blijkens § 2312 Abs. 3 BGB slechts worden ingezet ten behoeve van een erfgenaam die – in abstracto – tot de kring van legitimarissen als bedoeld in § 2303 BGB gerekend kan worden en kan slechts met betrekking tot de gehele onderneming worden uitgeoefend.11
De ‘kern’ van de faciliteit schuilt in het feit dat het Landgut voor de Ertragswert voortgezet kan worden, en deze waarde eveneens voor de berekening van het Pflichtteil geldt.12 Voor de vaststelling van deze waarde wordt aangesloten bij de deelstatelijke Anerbengesetze.13 De Ertragswert is gelijk aan het jaarlijkse netto-rendement, dat onder de gegeven feitelijke omstandigheden door een gemiddelde ondernemer behaald kan worden (§ 2049 Abs. 2 BGB), vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor die, afhankelijk van de regeling in de desbetreffende deelstaat, tussen de 17 en 25 ligt.14
Op de faciliteit kan – ondanks de bovenbedoelde uiterste wilsbeschikking van de erflater – door de erfgenaam geen aanspraak worden gemaakt indien de onderneming niet als economische eenheid kan worden voortgezet en niet meer levensvatbaar is, en evenmin indien is te voorzien dat de onderneming binnen afzienbare tijd niet meer bedrijfseconomisch geëxploiteerd kan worden. Voorts kan de faciliteit slechts door de erflater worden ingezet indien de onderneming geheel tot diens nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap behoort.15
De wet voorziet niet in een definitie van het begrip Landgut. Blijkens de jurisprudentie dient het te gaan om:
‘eine Besitz, die zum Zeitpunkt des Erbfalls eine zum selbstandigen und dauernden Betrieb der Landwirtschaft geeignete und bestimmte Wirtschaftseinheit darstellt und mit den nötigen Wohn- und Wirtschaftsgebauden versehen ist.’16
Onder Landwirtschaft wordt veeteelt en akkerbouw begrepen, maar bijvoorbeeld ook bos- en tuinbouw; een paardenpension echter niet.17
Vanwege het faciliërende karakter van de regeling in het BGB, is het vanzelfsprekend van groot belang of de onderneming al dan niet als Landgut aangemerkt kan worden.18
Anders dan in bijvoorbeeld de HöfeO (§ 13 HöfeO) ontbreekt een ‘meerwaarderegeling’. Indien de desbetreffende erfgenaam een ‘fortführungsfähig’ bedrijf in de nalatenschap aantreft en het voornemen heeft dit voort te zetten, kan op basis van de Ertragswert worden afgerekend. Besluit hij nadien het bedrijf te liquideren en de daartoe behorende vermogensbestanddelen te vervreemden voor een koopprijs die hoger dan die Ertragswert is, dan vindt geen correctie ten behoeve van andere erfgenamen en/of legatarissen plaats. In de literatuur wordt het ontbreken van een correctiemechanisme overigens als onbevredigend aangemerkt, hetgeen mij niet verbaast.19
Anerbenrecht algemeen
Zoals hiervoor aangegeven, bestaat het Anerbenrecht in Duitsland uit deelstatelijke regelingen van Sondererbrecht, met het gemeenschappelijke doel om de voor een erfrechtelijke bedrijfsopvolging aan het ontstaan van een ervengemeenschap verbonden, nadelige gevolgen, te vermijden.20 Daartoe wordt voorzien in een bijzondere, als uitzondering op de Universalsukzession (§ 1922 Abs. 1 BGB) aangemerkte, goederenrechtelijke opvolging onder algemene titel dan wel een overnamerecht, in combinatie met bijzondere waarderingsregels voor de betrokken onderneming.21
De kernvoorwaarde van de regelingen wordt door Ruby als volgt uitgedrukt:
‘Anerbe kann dabei nur eine einzelne Person sein (“Der Bäuer hat nur ein Kind”).’22
Het Anerbenrecht kan onderverdeeld worden in de – door de Bondsdag geregelde – HöfeO, die geldt in de deelstaten Hamburg, Niedersachsen, Nordrhein-Westfalen en Schleswig-Holstein, en de Anerbengesetze op het niveau van enkele deelstaten.
Het Anerbenrecht is nimmer dwingend recht; de testeervrijheid van erflater met betrekking tot een als Anerbenhof aan te merken onderneming wordt niet beperkt.23 Het kan bij uiterste wilsbeschikking, maar ook met een door de erflater tijdens leven afgelegde ‘negative Hoferklärung’ worden uitgeschakeld.24
Afgezien van de toepassing van de HöfeO, vallen in de deelstaten die over een Anerbenrecht beschikken de meeste bedrijven onder de BGB-regeling en niet onder de regionale regelingen.
Ruby concludeert met betrekking tot het deelstatelijke Anerbenrecht dan ook als volgt:
‘Die Anerbenrechte schließen also das BGB-Landguterbrecht keinesfalls aus, sondern sind im Gegenteil in der Praxis “so gut wie totes Recht”. In der Praxis gilt – außerhalb der HöfeO-Länder – meist das BGB-Landguterbrecht. Das lokale Anerbenrecht spielt regelmäßig keine Rolle, weil es entweder – seltener – durch letztwillige Verfügung ausgeschlossen ist oder weil durch eine lebzeitige Hofübergabe bereits alle Punkte privatautonom geregelt wurden.’25
Vanwege het geringe belang van de deelstatelijke regelingen, zo blijkt uit laatstgemeld citaat, alsmede vanwege het feit dat de techniek van de faciliteiten in het Anerbenrecht in het algemeen min of meer dezelfde is als die van de HöfeO, zoals hiervoor aangegeven, zal ik de schets van het Anerbenrecht dan ook beperken tot deze wet.
HöfeOrdnung
Bij toepassing van de HöfeO is sprake van een Sondererbfolge, hetgeen tot uitdrukking wordt gebracht in § 4 van deze wet, dat luidt als volgt:
‘Der Hof fällt als Teil der Erbschaft kraft Gesetzes nur einem der Erben (dem Hoferben) zu. An seine Stelle tritt im Verhältnis der Miterben untereinander der Hofeswert.’26
Men spreekt in dit verband wel van een Nachlassspaltung,27 hetgeen volgens Ruby onjuist is omdat deze term de indruk wekt dat door het overlijden als het ware twee nalatenschappen ontstaan, hetgeen niet het geval is. De opvolgingsfaciliteit wordt volgens hem beter geduid door deze aan te merken als een soort ‘dinglich wirkende bzw. “eine vom Gesetz selbst vollzogene Teilungsanordnung”’.28 Voor het overige vererft de nalatenschap volgens het BGB-erfrecht.
Er is volgens § 1 Abs. 1 HöfeO sprake van een Hof indien het een in eenvan de vier genoemde deelstaten gelegen onderneming betreft, die aan de volgende definitie voldoet:
‘land- oder forstwirtschaftliche Besitzung mit einer zu ihrer Bewirtschaftung geeigneten Hofstelle, die im Alleineigentum einer natürlichen Person oder im gemeinschaftlichen Eigentum von Ehegatten (Ehegattenhof)steht oder zum Gesamtgut einer fortgesetzten Gütergemeinschaft gehört, sofern sie einen Wirtschaftswert von mindestens 10.000 Euro hat. Wirtschaftswert ist der nach den steuerlichen Bewertungsvorschriften festgestellte Wirtschaftswert im Sinne des § 46 des Bewertungsgesetzes (...). Eine Besitzung, die einenWirtschaftswert von weniger als 10.000 Euro, mindestens jedoch von 5.000 Euro hat, wird Hof, wenn der Eigentumer erklärt, daß sie Hof sein soll, und wenn der Hofvermerk im Grundbuch eingetragen wird.’
Zonder andersluidende beschikkingen van de erflater, treedt bij toepassing van de HöfeO een van het BGB afwijkend groepenstelsel voor de erfopvolging in, waarbij achtereenvolgens de kinderen en afstammelingen van de erflater, diens echtgenote, zijn ouders en ten slotte zijn broers en zusters en hun afstammelingen worden geroepen (§ 5 HöfeO).
Binnen de desbetreffende groepen bepaalt § 6 HöfeO wie voor de voortzetting van erflaters onderneming in aanmerking komt, tenzij uiteraard anders door erflater wordt beschikt. Zo komt in de eerste groep (kinderen en afstammelingen) als eerste de erfgenaam in aanmerking aan wie de ‘Bewirtschaftung des Hofes im Zeitpunkt des Erbfalls auf Dauer übertragen ist’, vervolgens de erfgenaam die door de ‘Ausbildung oder durch Art und Umfang des Beschäftigung auf dem Hof hat erkennen lassen, daß er den Hof übernehmen soll’, en ten slotte de oudste van de erfgenamen of, indien het ‘Jüngstrecht’ gebruikelijk is, de jongste van hen (§ 6 Abs. 1 HöfeO). Wil men echter als Hoferbe kunnen opkomen, dient men wirtschaftsfähig te zijn in de zin van § 6 Abs. 6 HöfeO.
De bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt gecompleteerd door de vergoeding in geld voor de overbedeling van de Hoferbe te baseren op de ‘besonderer landwirtschaftlicher Ertragswert’, tenzij de erflater in een andere regeling heeft voorzien (§ 12 Abs. 1 HöfeO). Voor de bepaling van het aandeel in deze vergoeding wordt aangesloten bij de breukdelen uit het wettelijk erfrecht van het BGB. Bedoelde vergoeding geldt ook voor de Pflichtteil-berekening (§ 16 Abs. 2 HöfeO). Ter bepaling van de te vergoeden waarde wordt aangesloten bij de op grond van § 48 BewG vastgestelde Einheitswert; de ‘Hofeswert’ is gelijk aan anderhalf keer de laatst vastgestelde Einheitswert. Op deze Hofeswert wordt de waarde van de tot de Hof behorende verplichtingen afgetrokken, echter tot een maximum van twee derde van deze Hofeswert, waardoor ten minste een derde van de Hofeswert (oftewel de halve Einheitswert) voor de bepaling van de overbedelingsvergoeding als uitgangspunt dient (§ 12 Abs. 2 HöfeO).
Op de aansluiting bij de Einheitswert voor de berekening van de overbedelingsvergoeding bestaat kritiek, omdat deze waarde slechts eenmaal in de zes jaren wordt vastgesteld en economische ontwikkelingen tussen het moment van de waardevaststelling en het overlijden aanzienlijke gevolgen voor de waarde van de betrokken Hof kunnen hebben.29 Onder omstandigheden is echter een correctie nach ‘billigem Ermessen’ op grond van § 12 Abs. 2S.3 HöfeO mogelijk, hetgeen een opening biedt voor bijvoorbeeld de waarderingsregels van § 138 e.v. BewG (Bewertung von Grundbesitz für die Erbschaftssteuer).30 Een door de erflater getroffen, afwijkende regeling in vorenbedoelde zin kan de overbedelingsvergoeding overigens slechts in positieve zin veranderen, door uit te gaan van een hogere waarde dan de bedoelde Ertragswert. 31
De overbedelingsvergoeding is in beginsel direct opeisbaar, zij het dat de rechter onder omstandigheden, en nach ‘billigem Ermessen’ al dan niet rentedragend en al dan niet onder zekerheidsstelling, uitstel van betaling kan verlenen (§ 12 Abs. 5 HöfeO).
De HöfeO bevat in § 13 een ‘wettelijke meerwaardeclausule’ bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van de Hof binnen twintig jaren na het moment van overlijden.Voor de berekening van de ‘meerwaardevergoeding’ wordt de vervreemdingsprijs als uitgangspunt genomen, waarbij een staffeling wordt aangebracht in die zin dat bij vervreemding binnen tien jaren volledige vergoeding plaatsvindt, na tien en binnen vijftien jaren 75% van die prijs, en na vijftien en binnen twintig jaren de helft van die prijs voor de berekening in aanmerking wordt genomen (§ 13 Abs. 5 HöfeO). Wordt de opbrengst binnen twee jaren na het ontstaan van de vergoedingsverplichting geherinvesteerd, dan vervalt de vergoedingsplicht (§ 13 Abs. 2 HöfeO).32 Overigens kan de erflater ook deze wettelijke meerwaardeclausule bij uiterste wilsbeschikking uitsluiten of wijzigen.
Ontbreken de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten uit het BGB (§ 2049, 2312 BGB) en uit het Anerbenrecht, vindt de erfopvolging op grond van het wettelijk erfrecht plaats en komen de erfgenamen niet tot onderlinge overeenstemming over de verdeling van een ‘landwirtschaftlicher Betrieb’, dan heeft ieder van hen nog de mogelijkheid om op grond van § 13 e.v. GrdstVG aan het Landwirtschaftsgericht de verdeling van de desbetreffende onderneming te verzoeken. Het verzoek krijgt slechts gevolg, indien:
‘der Betrieb mit einer zur Bewirtschaftung geeigneten Hofstelle versehen ist und seine Erträge ohne Rücksicht auf die privatrechtlichen Belastungen im wesentlichen zum Unterhalt einer bäuerlichen Familie ausreichen.’33
Slotsom Landwirtschaftsrecht
Het gehele Duitse Landwirtschaftsrecht overziend, blijkt men voor het facilieren van een agrarische bedrijfsopvolging telkens terug te grijpen op twee instrumenten:
het vervangen van de Verkehrswert voor de erfopvolging in het algemeen en voor de legitiemeregeling in het bijzonder, door de lagere, op de renta-biliteitswaarde gebaseerde Hof-, Gut- of Ertragswert;
het ‘uit de nalatenschap’ nemen van een Hof en deze onderwerpen aan een Sondererbrecht, in de vorm van een goederenrechtelijk werkende, wettelijke Teilungsanordnung, of door het verschaffen van een overnemingsrecht.34
Met de in het Landwirtschafsrecht opgenomen waarderingsregelingen tracht men te voorkomen dat de ten laste van de voortzetter komende vergoeding voor de overbedeling of de betaling van het Pflichtteil, de voortzetting van erflaters onderneming in gevaar kan brengen door een te grote onttrekking van de beschikbare liquiditeiten dan wel tot een gehele of gedeeltelijke liquidatie van die onderneming kan leiden.
Voorts wordt met de Sondererbfolge dan wel met een overnemingsrecht, als gevolg waarvan de Hof als zodanig uit de ervengemeenschap blijft of kan worden genomen, beoogd dat de voortzetter enige gerechtigde wordt op het desbetreffende ondernemingsvermogen.
Tussen het BGB-Landguterbrecht en het Anerbenrecht bestaan belangrijke, in het oog springende verschillen. Het Anerbenrecht voorziet in fijnmazigere regelingen, zij het dat de werking daarvan aan territoriale beperkingen is onderworpen, waardoor meestal het BGB-Landguterbrecht, als de opvolging al bij overlijden plaatsvindt, van toepassing is.
Opvallende verschillen tussen het BGB-Landguterbrecht en het Anerbenrecht zijn het ontbreken van een ‘meerwaardevergoeding’ en uitstelregelingen in het eerstbedoelde systeem.