Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/4.3
4.3 Lijstenstelsel
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947832:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het Ierse kiesrecht berust op een dergelijk personenstelsel.
Staatscommissie-Oppenheim 1914, p. 12.
Staatscommissie-Oppenheim 1914, p. 12-13. Rekening moest bijvoorbeeld gehouden worden met het feit dat de volgorde van het tellen der stemmen van invloed was op welke kandidaten de kiesdeler als eerste bereikten, en daarmee op de overdracht van stem op andere kandidaten. Oplossingen voor dit probleem zijn denkbaar, maar deze blinken niet bepaald uit in eenvoud.
Een overzicht van alternatieve manieren om tot een volksvertegenwoordiging te komen wordt geschetst door Lucardie en Leyenaar: Lucardie & Leyenaar 2014. Lucardie en Leyenaar bepleiten dat sommige van de door hen voorgestelde maatregelen voordelen bieden, maar dat zij daarnaast, indien in zuivere vorm doorgevoerd, ook nadelen met zich brengen, onwerkbaar zijn en/of een herziening van het constitutionele kader vergen. Of een dergelijke herziening gewenst zou zijn, gaat de reikwijdte van dit onderzoek te buiten.
Het Nederlandse kiesrecht gaat uit van een lijstenstelsel. Kiezers brengen weliswaar hun stem uit op een persoon, maar de facto komt die stem toe aan de kandidatenlijst waarop deze persoon vermeld staat. Het aantal op een lijst uitgebrachte stemmen correspondeert met het aantal zetels dat een lijst krijgt toebedeeld.1 Pas na het verdelen van de zetels tussen de lijsten worden die zetels toegekend aan de op de lijst voorkomende kandidaten. Het lijstenstelsel kan worden afgezet tegen een personenstelsel, waarin de kiezers de verkiezingskandidaten nummeren in de volgorde van hun voorkeur, zonder daarbij aan lijsten gebonden te zijn.2
Evenals de keuze voor het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, houdt ook de principiële keuze voor het lijstenstelsel al sinds 1917 stand. Ook deze keuze valt te herleiden tot de Staatscommissie-Oppenheim, die in haar verslag de voor- en nadelen van het personen- en lijstenstelsel tegen elkaar afzette. Het grote voordeel van een personenstelsel is het feit dat de wil van de kiezer ten volle wordt gerespecteerd. Een stem komt nooit ten goede aan iemand anders dan waarop de kiezer heeft gestemd. Heeft de kandidaat die de eerste voorkeur van de kiezer geniet al genoeg stemmen behaald voor een zetel, dan komt de stem toe aan de persoon die de tweede voorkeur van deze kiezer heeft, vervolgens aan de derde, enzovoorts. Nadeel van dit stelsel was volgens de commissie echter de complexiteit ervan. Het naar eigen inzicht rangschikken van de kandidaten op het stembiljet vraagt veel van de kiezer en werd door de commissie bestempeld als ‘ondoenlijk’.3 Daar kwam bij dat het personenstelsel het vaststellen van de uitslag zou bemoeilijken. Het zou een hele opgave zijn om uit alle lijstjes de correcte verdeling van de zetels te destilleren, zeker nu het ging om honderd zetels, te verdelen binnen – de facto – één kiesdistrict.4 Een verdeling in meerdere kiesdistricten zou uitkomst kunnen bieden, maar dat verhield zich volgens de commissie zoals gezegd niet met het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging. Om deze redenen was de commissie voorstander van een lijstenstelsel, waarin kiezers één stem mogen uitbrengen, en wel op een kandidaat die (in de regel door een politieke partij) op een lijst geplaatst is. De consequentie daarvan is wel dat de stem van de kiezer ten goede kan komen aan een andere kandidaat dan die waarop hij gestemd heeft, een risico dat zich in het personenstelsel zoals gezegd niet voordoet. Als de beoogde kandidaat al genoeg stemmen heeft, of juist onvoldoende stemmen behaalt om aanspraak te maken op een zetel, wordt de stem van kiezer gebruikt om iemand anders op dezelfde lijst een Kamerzetel te geven. Dat betekent dat het lijstenstelsel veronderstelt dat de kiezer wil meewerken aan de verkiezing van een andere kandidaat op dezelfde lijst.
Deze inrichting van het kiesstelsel, die uitgaat van evenredige vertegenwoordiging zonder nadere onderverdeling in kiesdistricten in combinatie met een lijstenstelsel, betekent dat verkiezingen zonder politieke partijen binnen het huidige constitutionele kader ondenkbaar zijn.5 Het lijstenstelsel noopt immers tot groepsvorming van gelijkgestemde kandidaten, nu de stem van de kiezer ten goede kan komen aan een andere kandidaat op de lijst. Het is dus zaak dat de lijst als geheel stemmen weet te trekken. De afwezigheid van kiesdistricten betekent daarnaast dat deze groepsvorming op nationaal niveau plaatsvindt. Om voldoende stemmen te trekken, moeten kandidaten zich landelijk organiseren. Hoewel verbondenheid aan een politieke partij voor de uitoefening van het kiesrecht (grond)wettelijk niet vereist is, zijn partijen in de praktijk onmisbaar.