De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.1:4.1 Procedures voor de buitenlandse rechter
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.1
4.1 Procedures voor de buitenlandse rechter
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS391222:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de eerste zaak ging het om de voorgenomen fusie tussen Gaz de France en Société Suez, aangekondigd bij persbericht van 25 februari 2006. Nadat het enige tijd stil was gebleven, werd de Europese ondernemingsraad in oktober 2006 geconsulteerd op een wijze die hij als onvoldoende kwalificeerde: informatie over de precieze contouren van de personele consequenties ontbrak en werd te laat aangeleverd. Op 15 november oordeelde de Europese ondernemingsraad in een resolutie dat sprake was geweest van strijd met de verplichting tot informatieverschaffing over de gevolgen van de fusie voor de medewerkers, vooral over het risico van een overlap in functies bij de verschillende groepsmaatschappijen. De resolutie voorzag in een opdracht aan twee externe bureaus om hierover te rapporteren en de Europese ondernemingsraad hield zijn advies aan. Op diezelfde dag begon de raad een kort geding bij het Tribunal de Grande Instance van Parijs om opschorting van het besluitvormingsproces te vorderen, mede nu het bestuur van Gaz de France op 22 november over de voorgenomen fusie zou vergaderen. Dit leidde tot een vonnis op 21 november 2006.
De vordering van de Europese ondernemingsraad werd toegewezen: de rechter oordeelde dat informatie te laat en onvolledig was verstrekt en dat de opdracht aan de externe bureaus terecht was gegeven. Gaz de France werd bevolen om de bestuursvergadering aan te houden tot het moment waarop de Europese ondernemingsraad een advies over het fusieproces had kunnen geven, versterkt met een dwangsom. Het Cour d’Appel van Parijs liet dit oordeel in hoger beroep bij arrest van dezelfde dag (21 november 2006) in stand, ondanks de stelling van Gaz de France dat uitstel van de bestuursvergadering zou leiden tot het verplaatsen van de aandeelhoudersvergadering, waardoor het gehele fusieproces in gevaar kwam. Het Cour d’Appel wees op de bepaling uit de Europese ondernemingsovereenkomst, waarin stond dat partijen bij bijzondere situaties met aanzienlijke gevolgen voor de werknemers bijeen zouden komen op een zodanig moment dat opvattingen van de Europese ondernemingsraad nog in het besluitvormingsproces konden worden meegenomen. Daaruit volgde dat er gelegenheid moest zijn om de verkregen informatie te verwerken en een advies uit te brengen vóór het moment waarop het besluit werd genomen.
In de tweede door Verburg besproken zaak werd wederom een vordering van de Europese ondernemingsraad in kort geding tot opschorting van de besluitvorming toegewezen. Het ging om beschikkingen van de Arbeidsrechtbank van Brussel van 6 december 2006 en 23 januari 2007, die zich richtten tegen een besluit van British Airways tot de overdracht van de klantendienst op de luchthaven van Wenen aan een derde partij. Dit besluit bleek onderdeel te zijn van een meeromvattend Europees plan van British Airways om de klantendiensten uit te besteden. Uit de in de procedure overgelegde stukken bleek dat er een overzicht bestond van dit herstructureringsprogramma, waarbij de afhandeling in de diverse Europese landen in verschillende fases en met gedetailleerde plannen werd herzien.
De Belgische rechter overwoog, met een verwijzing naar het fundamentele belang van informatie en consultatie, dat een herstructurering in één land een transnationaal karakter kan hebben indien de beslissing wordt genomen in een andere lidstaat. Aangezien deze achterwege was gebleven, diende British Airways een correcte en volledige informatie- en raadplegingsprocedure met de Europese ondernemingsraad te starten over de overdracht van de klantendienst en voorts aan alle verplichtingen te voldoen die voortvloeiden uit de met hem gesloten Europese ondernemingsovereenkomst. Voorts werd voor recht verklaard dat elke beslissing over de overdracht van de klantendienst moest worden opgeschort zolang de informatie- en raadplegingsprocedure nog niet was beëindigd.
De derde zaak betrof een oordeel van de president van het Tribunal de Grande Instance van Parijs van 27 april 2007 over een herstructureringsprogramma bij Alcatel-Lucent. Hier ging het om een geschil over het integratieproces volgend op de fusie van het Franse Alcatel met de Amerikaanse Lucent-groep, waarin een herstructureringsplan werd aangekondigd dat wereldwijd zou leiden tot verlies van een groot aantal arbeidsplaatsen. Ook hier ontstond een verschil van mening tussen het hoofdbestuur en de Europese ondernemingsraad over de kwaliteit van de informatievoorziening, zodanig dat dit leidde tot een kort geding. De Europese ondernemingsraad vorderde een verklaring voor recht dat de verstrekte informatie onvoldoende was en verzocht om een veroordeling van Alcatel-Lucent tot het samenstellen van een volledig dossier. De raad verzocht daarnaast te bepalen dat de raadpleging van de nationale Franse ondernemingsraden zou worden opgeschort totdat hij, na de verkregen informatie, in staat zou zijn om een advies over de voorgenomen herstructurering te geven.
De president oordeelde dat de ondernemer een gedetailleerde en met cijfers ondersteunde uiteenzetting moest geven van de redenen voor de herstructurering, inclusief de grondslagen van de berekening van het aantal boventallige functies per land, per divisie en per categorie werknemers. De president zag geen reden aanwezig om Alcatel-Lucent te veroordelen tot het verschaffen van informatie over de maatregelen ter verzachting van personele consequenties. Hij overwoog dat de Europese ondernemingsovereenkomst niet voorzag in raadpleging op een eerder moment dan dat waarop lokale medezeggenschapsorganen zouden moeten worden geraadpleegd. Evenmin werd het verzoek om de herstructureringsplannen op te schorten tot na voltooiing van de raadpleging van de Europese ondernemingsraad ingewilligd, omdat de verstrekking van een advies daarin geen verplicht onderdeel vormde.
In zijn commentaar wijst Verburg erop dat deze uitspraak afwijkt van de hiervoor besproken zaak van Gaz de France en ook van de kwestie Renault. In die laatste zaak ging het eveneens om een situatie waarin de Europese ondernemingsovereenkomst niet voorzag in een advies. Verburg meent dat een contractuele afspraak over een uitwisseling van standpunten zo geïnterpreteerd moet worden, dat deze een zinvolle exercitie oplevert op een moment dat de dialoog nog van invloed kan zijn. Ook een niet op Europese richtlijnen terug te voeren contractuele uitleg van de ondernemingsovereenkomst brengt met zich mee dat een zinvolle uitwisseling van standpunten slechts aan de orde is als de verstrekte informatie voldoet aan een bepaalde standaard. Het vonnis van de Franse rechter zou naar Nederlandse maatstaven te mager gemotiveerd zijn. Wel juist is het oordeel van de president dat de Europese ondernemingsraad geen recht heeft op voltooiing van de raadplegingsprocedure voordat nationale ondernemingsraden kunnen worden geconsulteerd. Het andersluidende standpunt van de Europese ondernemingsraad hierover vindt hij onhoudbaar, nu de richtlijn geen hiërarchische verhouding aanbrengt tussen de raad en nationale medezeggenschapsorganen.
Sinds de zojuist samengevatte uitspraken tot en met het jaar 2007 is in de jurisprudentie van Franse en Duitse rechters een aantal nieuwe uitspraken verschenen. Opvallend is dat de daarin behandelde thema’s vaak dezelfde waren als in de zojuist genoemde zaken. Ik zal deze hierna bespreken en van commentaar voorzien. Aangezien het steeds gaat om niet in Nederland gepubliceerde rechtspraak, zal ik deze wat uitgebreider beschrijven.