Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.6:4.2.4.6 Conclusie
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.6
4.2.4.6 Conclusie
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441384:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen is beperkt in die zin dat de overheid alleen concrete handelingen behoeft te verrichten die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is, indien sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar voor een aantasting en de overheid dit gevaar kent of behoort te kennen. Uit de rechtspraak van het ehrm zou afgeleid kunnen worden dat die positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten alleen bestaat bij reële en onmiddellijke gevaren voor het leven, de lichamelijke integriteit en/of de verwoesting of beschadiging van de woning en/of eigendom. Het is echter niet met zekerheid te zeggen dat die positieve verplichting niet bestaat bij gevaren voor andere soorten aantastingen van de door artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen. Aan het begrip ‘onmiddellijk’, dat deel uitmaakt van het vereiste van een reëel en onmiddellijk gevaar, komt blijkens de rechtspraak van het ehrm geen zelfstandige betekenis toe. Bij dat vereiste gaat het uiteindelijk slechts om de vraag of sprake is van een reëel gevaar in de zin van een gevaar waarvan de verwezenlijking in de omstandigheden van het geval niet onwaarschijnlijk is. Een andere begrenzing van de plicht om concrete handelingen te verrichten vormt de wetenschap die de overheid heeft of behoort te hebben van een reëel en onmiddellijk gevaar voor een aantasting van een door artikel 2evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermd belang. De overheid kan namelijk niet verweten worden dat zij geen concrete handelingen ter voorkoming van een toekomstige aantasting heeft verricht, indien zij niet wist en ook niet behoefde te weten dat er een (reëel en onmiddellijk) gevaar voor die aantasting was. De laatste beperking van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten is dat de overheid alleen concrete handelingen hoeft te verrichten die redelijkerwijs van haar gevergd kunnen worden en waartoe zij bevoegd is. Het is niet geheel duidelijk hoe beoordeeld moet worden of een handeling in een concreet geval redelijkerwijs van de overheid verwacht kan worden. Het ligt evenwel voor de hand dat die beoordeling een belangenafweging inhoudt. De door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen ter bescherming waarvan concrete handelingen worden overwogen, moeten afgewogen worden tegen de belangen van andere burgers of overheidsfunctionarissen die zeker of mogelijk door die concrete handelingen worden aangetast. De redelijkerwijs te respecteren belangen van anderen kunnen aldus grenzen stellen aan de verplichting om beschermende concrete handelingen te verrichten. Vooral bij concrete handelingen ter bescherming van eigendom tegen verwoesting of beschadiging lijken daarnaast ook de financiële belangen van de overheid afgewogen te kunnen worden tegen de door de concrete handelingen te beschermen (eigendoms)belangen. Tot slot stellen ook de bevoegdheden van de overheid grenzen aan haar positieve verplichting om beschermende concrete handelingen te verrichten. Van een positieve verplichting om beschermende concrete handelingen te verrichten kan slechts sprake zijn, indien de overheid naar nationaal recht de bevoegdheid heeft die concrete handelingen te verrichten en zij deze kan uitoefenen zonder de grenzen van het nationale recht, het Unierecht, het evrm en/of andere bepalingen van internationaal recht te overschrijden.