Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/3.2.2.2
3.2.2.2 De Richtlijn Medische Hulpmiddelen
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS363855:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 93/42/EEG.
Overweging 3 en 5 van Richtlijn 93/42/EEG.
Artikel 17 van Richtlijn 93/42/EEG. Hulpmiddelen die naar maat gemaakt of voor klinisch onderzoek bestemd zijn, hoeven geen CE-markering te bevatten. Voor deze hulpmiddelen moet de producent een verklaring opstellen in overeenstemming met bijlage VIII (zie ook artikel 11 Richtlijn 93/42/EEG).
Hodges 2010, p. 943.
Zie artikel 3 Richtlijn 93/42/EEG.
Artikel 11 en 16 Richtlijn 93/42/EEG; Hodges 2010, p. 945.
Artikel 9 Richtlijn 93/42/EEG.
Artikel 11 lid 5 jo. bijlage VII Richtlijn 93/42/EEG.
Toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)542). Actieve implanteerbare medische hulpmiddelen die onder de Richtlijn 90/385/EEG vallen (bijvoorbeeld pacemakers en implanteerbare defibrillators), behoren tot klasse III.
Artikel 11 lid 5 jo. bijlage VII Richtlijn 93/42/EEG.
Daarbij dienen bijvoorbeeld eventuele bijwerkingen van het middel afgezet te worden tegen de technische prestaties om te beoordelen of er sprake is van een acceptabel risico; Hodges 2010, p. 957.
Artikel 16 lid 6 Richtlijn 93/42/EEG.
Artikel 4 Richtlijn 93/42/EEG.
Alwaar het de Commissie onverwijld van in kennis stelt (artikel 8 Richtlijn 93/42/EEG). Zie ook artikel 14 ter en aritkel18.
Bij implanteerbare en langdurig invasieve hulpmiddelen die onder klasse IIa en IIb vallen en alle hulpmiddelen die onder klasse III vallen, is klinisch onderzoek door de producent geboden. De rapportage hieromtrent dient overlegd te worden aan de notified body (bijlage X Richtlijn 93/42/EEG); Hodges 2010, p. 943.
De Richtlijn Medische Hulpmiddelen wordt hier nader uiteengezet.1 De hiervoor genoemde Richtlijnen 90/385/EEG en 98/79/EG zijn op vergelijkbare wijze ingericht maar specifiek van toepassing op resp. actieve implanteerbare medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en worden hier niet verder in detail besproken.
De voornaamste doelstellingen van de Richtlijn Medische Hulpmiddelen zijn het bewerkstelligen van een hoog niveau van bescherming van patiënten, gebruikers en derden en het waarborgen van het vrije verkeer van medische hulpmiddelen op de interne markt.2 In lijn met het hiervoor beschreven systeem van de Nieuwe Aanpak vereist de Richtlijn Medische Hulpmiddelen dat medische hulpmiddelen zijn voorzien van een CE-markering alvorens zij in de Gemeenschap in het vrije verkeer mogen worden gebracht.3 De markering behelst de verklaring dat het hulpmiddel voldoet aan de toepasselijke standaard en de vereisten die voortvloeien uit de Richtlijn Medische Hulpmiddelen.4Bijlage I van de Richtlijn omschrijft de essentiële vereisten waaraan een hulpmiddel dient te voldoen.5 Deze essentiële vereisten worden onderverdeeld in algemene eisen, zoals het vereiste dat het hulpmiddel geen gevaar op mag leveren voor de klinische toestand of veiligheid van de patiënt, en eisen betreffende het ontwerp en de constructie, zoals de compatibiliteit van de verschillende materialen die in het hulpmiddel gebruikt zijn.
De procedure die de producent dient te volgen ter verkrijgen van een CE-markering verschilt naar gelang de klasse van het hulpmiddel.6 Hulpmiddelen worden onderverdeeld in klasse I, IIa, IIb of III. Deze classificatie geschiedt overeenkomstig de regels van bijlage IX van de Richtlijn en hangt samen met de risico’s van het hulpmiddel.7 Een hulpmiddel met een laag risico wordt aangemerkt als een klasse I hulpmiddel (bijvoorbeeld een pleister).8 Klasse IIa hulpmiddelen (bijvoorbeeld een gebitsvulling) behelzen een middellaag risico, klasse IIb hulpmiddelen een middelhoog risico (bijvoorbeeld een röntgenapparaat) en klasse III hulpmiddelen een hoog risico (bijvoorbeeld een hartklep, heupprothese of borstimplantaat).9
Bij een klasse I-hulpmiddel kan de producent zelf een verklaring van overeenstemming opstellen krachtens bijlage VII waarmee hij verklaart dat zijn producten in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen van de Richtlijn.10 De beoordeling van de conformiteit van de hulpmiddelen in klasse IIa, IIb en III wordt (deels) door de notified body verricht. Aan de hand van de in de bijlagen neergelegde procedures toetst de notified body of het product aan de eisen van de Richtlijn voldoet en beoordeelt en verifieert het de stellingen van de producent omtrent de technische prestaties van het hulpmiddel.11
Klasse I
Bij een klasse I-hulpmiddel kan de producent zelf een verklaring van overeenstemming opstellen krachtens bijlage VII (artikel 11 lid 5 Richtlijn 93/42/EEG).
Klasse IIa
Bij een klasse IIa-hulpmiddel moet de producent zelf een EG-verklaring van overeenstemming opstellen (zoals bij klasse I-hulpmiddelen) overeenkomstig bijlage VII. Dit moet aangevuld worden met de in bijlage IV, bijlage V of bijlage VI omschreven procedure. Elke van deze drie procedures vereist – zoals gezegd – de medewerking van een notified body (artikel 11 lid 2 Richtlijn 93/42/EEG).
Klasse IIb
Bij een klasse IIb-hulpmiddel dient de producent de in bijlage II of III omschreven procedure volgen. Indien hij de in bijlage III omschreven procedure volgt, dient dit aangevuld te worden met de in bijlage IV, V of VI omschreven procedure (artikel 11 lid 3 Richtlijn 93/42/EEG).
Klasse III
Bij een klasse III-hulpmiddel dient de producent de in bijlage II of III omschreven procedures volgen. Indien hij de in bijlage III omschreven procedure volgt, dient dit aangevuld te worden met de in bijlage IV of V omschreven procedure (artikel 11 lid 1 Richtlijn 93/42/EEG).
De procedures:
Bijlage II
Bijlage II bevat het volledige kwaliteitsborgingssysteem, hetgeen inhoudt dat de producent zijn kwaliteitssysteem ten aanzien van het ontwerp, de fabricage en de eindcontrole van de producten door de notified body laat goedkeuren. Op grond van deze procedure is de producent tevens onderworpen aan een audit en toezicht van de notified body.
Bijlage III
Bijlage III bevat een EG-typeonderzoek, hetgeen inhoudt dat de notified body vaststelt en verklaart dat een representatief exemplaar van de te produceren producten voldoet aan de bepalingen van de Richtlijn.
Bijlage IV
Bijlage IV bevat een EG-keuring, hetgeen inhoudt dat de notified body de nodige onderzoeken en proeven uitvoert om na te gaan of het product in overeenstemming is met de eisen van de Richtlijn. De producent kan deze keuring op tweeërlei wijze laten geschieden, ofwel door de notified body elk product te laten onderzoeken en beproeven overeenkomstig artikel 5 van bijlage IV, ofwel door onderzoek en beproeving van de producten op statistische basis door de notified body overeenkomstig artikel 6 van bijlage IV.
Bijlage V
Bijlage V bevat een productiekwaliteitsborging, wat inhoudt dat de producent een kwaliteitssysteem ten aanzien van de kwaliteitsdoelstelling, organisatie van het bedrijf, de technieken inzake kwaliteitsbeheersing en het te hanteren onderzoek en de proeven laat goedkeuren. Dit gaat gepaard met een audit en toezicht van de notified body.
Bijlage VI
Bijlage VI ziet tot slot op productkwaliteitsborging, waarbij de notified body wederom een kwaliteitssysteem van de producent goedkeurt. In het kader daarvan onderzoekt de notified body elk product of een representatief monster van elke partij om de conformiteit van het product te beoordelen. Dit gaat wederom gepaard met een audit en toezicht.
Bijlage VII
Bijlage VII ziet op de EG-verklaring van overeenstemming. De EG-verklaring van overeenstemming is de procedure waarbij de producent verklaart dat zijn producten voldoen aan de op deze producten toepasselijke bepalingen van deze Richtlijn. Daarbij stelt hij technische documentatie omtrent het product samen.
De notified body moet de afgegeven verklaring van conformiteit van het product schorsen, intrekken of beperken bij de constatering dat de producent niet (meer) voldoet aan de toepasselijke vereisten of bij de vaststelling dat geen verklaring afgegeven had mogen worden, tenzij de producent passende corrigerende maatregelen neemt.12 Hoewel het uitgangspunt is dat de lidstaat de handel in producten met een CE-keurmerk niet mag belemmeren,13 kan ook de lidstaat maatregelen nemen indien wordt geconstateerd dat het product de gezondheid en/of veiligheid van patiënten, gebruikers of andere personen in gevaar dreigt te brengen.14
Wat opvalt is dat de producent bij bepaalde hulpmiddelen met een hoog gezondheidsrisico de keuze heeft om slechts zijn kwaliteitssysteem te laten goedkeuren en een klinisch onderzoek van de notified body naar de veiligheid van de hulpmiddelen niet vereist is.15