Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/3.2.2.1
3.2.2.1 Algemeen
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS372308:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Volgens artikel 1 lid 2 sub b en c van Richtlijn 90/385/EEG is een actief implanteerbaar medisch hulpmiddel: elk medisch hulpmiddel dat voor de werking ervan afhankelijk is van een elektrische energiebron of een anders dan rechtstreeks door het menselijke lichaam of de zwaartekracht opgewekte energiebron en dat is ontworpen om, volledig of gedeeltelijk, op operatieve of medische wijze in het menselijk lichaam of door een medische ingreep in een natuurlijke opening te worden geïmplanteerd, en bestemd is om na die procedure in het lichaam te blijven.
Volgens artikel 1 lid 2 sub b van Richtlijn 98/79/EG is een medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek: elk medisch hulpmiddel dat een reagens, een reactief product, een kalibratiemateriaal, een controlemateriaal, een kit, een instrument, een apparaat, een toestel of een systeem is dat afzonderlijk of in combinatie wordt gebruikt en door de fabrikant is bestemd om te worden gebruikt voor het in-vitro- onderzoek van specimens die afkomstig zijn van het menselijk lichaam, met inbegrip van donorbloed en -weefsel, uitsluitend of hoofdzakelijk met het doel om informatie te verschaffen: over een fysiologische of pathologische toestand, of over een aangeboren afwijking, of om de veiligheid en de mate van verenigbaarheid met potentiële ontvangers te bepalen, of om de uitwerking van therapeutische maatregelen te toetsen.
Resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie (85/C 136/01).
Hodges 2005, p. 53.
Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (aangepast door Richtlijn 88/182/EEC van de Raad van 22 maart 1988, Richtlijn 94/10/EEC van 23 maart 1994 en Richtlijn 98/34/EC van 22 juni 1998.
Hodges 2005, p. 53; HvJ EU 20 februari 1979, C 120/78 (Cassis de Dijon).
Hodges 2005, p. 53; Galland 2013, p. 366.
Hodges 2005, p. 53; Verbruggen 2017, p. 1243. CEN = Comité Européen de Normalisation, CENELEC = Comité Européen de Normalisation Electrotechnique & ETSI = Europees Telecommunicatie en Standaardisatie Instituut.
Verbruggen 2017, p. 1243.
Hodges 2005, p. 53-54; Verbruggen 2017, p. 1243-1244.
Hodges 2005, p. 54; Galland 2013, p. 366.
Galland 2013, p. 368. In Nederland heef de minister van VWS ‘DEKRA Certification’ en ‘DARE!! Medical Certifications’ aangewezen als notified body voor medische hulpmiddelen.
De regulering van medische hulpmiddelen op de Europese markt geschiedt door drie Richtlijnen: Richtlijn 90/385/EEG van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen,1 Richtlijn 93/42/EEG van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen en Richtlijn 98/79/EG van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek.2 Deze Richtlijnen maken onderdeel uit van de ‘Nieuwe Aanpak’, een door de Commissie geïntroduceerd programma voor ‘technische harmonisatie en normalisatie’ dat in 1985 door de Raad werd aangenomen.3 Dit programma heeft tot doel een benadering te ontwikkelen waarbij algemene regels tot stand komen die van toepassing zijn op bepaalde soorten producten en risico’s. Het programma werd ingezet als middel om de totstandkoming van geharmoniseerde regelgeving te vereenvoudigen en versnellen.4 Om dit te bereiken, werden twee beleidswijzigingen geïnitieerd. In de eerste plaats werden handelsbelemmeringen aangepakt die op lidstaatniveau voortvloeiden uit technische voorschriften voor producten.5 Dit ging gepaard met de versterking van het principe dat producten die in een lidstaat op de markt zijn gebracht vrij verhandeld mogen worden op de Europese markt op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.6 In de tweede plaats werden onder de Nieuw Aanpak Richtlijnen slechts basis(veiligheids) voorschriften opgenomen waaraan de op de markt gebrachte producten moeten voldoen om in de Gemeenschap in het vrije verkeer te kunnen worden gebracht, terwijl de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze voorschriften bij de producent blijft liggen.7
De in de Richtlijnen opgenomen fundamentele voorschriften worden aangevuld door gespecificeerde technische vereisten die neergelegd zijn in verschillende geharmoniseerde Europese standaarden en ontwikkeld worden door de Europese standaardisatieorganisaties CEN, CENELEC of ETSI.8 Een product dat voldoet aan de toepasselijke geharmoniseerde standaard, wordt verondersteld te voldoen aan de fundamentele voorschriften van de toepasselijke Richtlijn.9 Producenten dienen producten die voldoen aan de toepasselijke standaard te voorzien van een verklaring van conformiteit, de zogeheten CE-markering.10 Hoewel het uitgangspunt is dat de producent deze verklaring zelf moet verstrekken – hij is verantwoordelijk voor de conformiteit van zijn product met de toepasselijke vereisten -, dient hij voor bepaalde producten of risico’s een certificaat van een certificeringsinstantie te verkrijgen.11 Dit zijn zogenoemde ‘aangemelde instanties’, beter bekend als notified bodies, die geacht worden over de nodige technische competenties te beschikken om een conformiteitsbeoordeling te verrichten. Notified bodies worden door een lidstaat aangewezen en hebben een publiek, privaat of gemengd karakter.12 De producent kiest een notified body (die niet noodzakelijkerwijs in dezelfde lidstaat hoeft te zijn gevestigd) en sluit daarmee een overeenkomst die de notified body ertoe verplicht een dienst te verlenen (het verrichten van een conformiteitsbeoordeling) en de producent om voor deze dienst te betalen.