Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/8.3
8.3 De vennootschap als instituut
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS297716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband zijn overweging aan het begin van de oratie waar ook de hierboven aangehaalde overwegingen zijn neergelegd: Maeijer 1964, p. 3.
Bij sommige vennootschappen, zoals bijvoorbeeld beursvennootschappen, zal de functie als forum voor aandeelhouders weer een belangrijkere rol (kunnen) spelen.
De Jongh 2014, p. 333. Zie in dit verband ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.2. Dit moet vooral worden bezien vanuit de ontwikkeling van de contractuele theorie naar de institutionele theorie (zie in dit verband hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3. e.v.). De aandeelhouder is daarbij niet per se verder van de vennootschap verwijderd, maar staat wel in een andere verhouding (hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.).
Maeijer merkt op dat er een samenwerkingskarakter aan de vennootschap ten grondslag blijft liggen. Daarmee lijkt Maeijer te verwijzen naar de klassieke opvatting dat de vennootschap dient te worden beschouwd als een contractueel samenwerkingsverband tussen aandeelhouders; de contractuele theorie. Daarmee is overigens niet gezegd dat Maeijer destijds nog volledig achter de contractuele theorie stond, maar het kenmerk van een samenwerking tussen aandeelhouders lag volgens Maeijer klaarblijkelijk nog wel aan de vennootschap ten grondslag.1 Deze opvatting lijkt nauw aan te sluiten bij de eerste functie van de algemene vergadering van aandeelhouders, namelijk het functioneren als forum voor de gezamenlijke aandeelhouders.
In hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3.2., is de ontwikkeling van de vennootschap van contractueel samenwerkingsverband naar instituut beschreven. Daaruit volgt onder meer dat, hoewel de vennootschap nog steeds kan worden beschouwd als een samenwerkingsverband en de contractuele theorie niet volledig verlaten lijkt, zij niet langer kan worden beschouwd als een samenwerkingsverband tussen aandeelhouders. De vennootschap is een op zichzelf staand instituut, met haar eigen (interne) regels en een eigen belang, onafhankelijk van de aandeelhouders en andere stakeholders.
Als gevolg daarvan ben ik van mening dat het niet juist is om ervan uit te gaan dat de algemene vergadering van aandeelhouders een zekere zeggenschap uitoefent in verband met de samenwerking tussen aandeelhouders, althans meen ik dat een andere opvatting beter verdedigbaar is. De functie van de algemene vergadering van aandeelhouders is veel minder die van het forum voor aandeelhouders, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de aandeelhouders samenwerken binnen de vennootschap, dan de functie van orgaan van de vennootschap, waaraan bepaalde belangrijke bevoegdheden zijn toegekend op basis van thans tot het verleden behorende opvattingen.2 Waar de individuele aandeelhouder een ontwikkeling heeft doorgemaakt waarbij hij meer als een derde met een vermogensrechtelijk recht ten opzichte van de vennootschap kan worden beschouwd,3 lijkt de algemene vergadering van aandeelhouders juist een tegengestelde ontwikkeling te hebben doorgemaakt. De algemene vergadering van aandeelhouders is juist, ook omdat de aandeelhouder verder op afstand van de vennootschap is komen te staan, meer een (autonoom) orgaan van de vennootschap geworden, welk ook dienstbaar is aan de vennootschap. De algemene vergadering van aandeelhouders is daarmee, evenals het bestuur, en wanneer ingesteld de raad van commissarissen, een onmisbaar onderdeel van de interne governance binnen de vennootschap. Dit past in de ontwikkeling van de vennootschap van een contract (de contractuele theorie) naar een instituut (de institutionele theorie). De vennootschap is een onafhankelijk instituut en beheerst door haar eigen regels. De algemene vergadering van aandeelhouders vervult op basis van die regels een sleutelfunctie binnen dit onafhankelijk instituut. Het ligt voor de hand dat dit orgaan (evenals de andere organen) zich richt op het belang van dit instituut en niet op een deelbelang (bijvoorbeeld het belang van de aandeelhouders). Dan zou immers geen sprake meer zijn van een onafhankelijk instituut.
Alvorens hier nader over uit te weiden aan de hand van een drietal voorbeelden dat deze visie bevestigt, zal nog een tweede ontwikkeling in de context van de overwegingen van Maeijer worden geplaatst, de beweging naar het stakeholder model.