Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.3.4
III.3.4. Huwelijksvermogensrechtelijke bedingen
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574407:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hetgeen in deze paragraaf beschreven wordt, geldt vanzelfsprekend ook voor bedingen in partnerschapsvoorwaarden.
Vgl. Kleijn, De boedelscheiding, diss. Leiden, p. 64. Op deze afgeschafte contractuele erfstellingen en legaten zal nader worden ingegaan in par. 2 van hoofdstuk V.
Vgl. de (fiscale) arresten HR 22 april 1981, BNB 1981, 159 (Schuttevâer; Eenzijdig-facultatief ), HR 9 mei 1984, BNB 1984, 210 (Laeijendecker; Eenzijdig-verplicht), HR 27 juni 1990, BNB 1990, 255 (Laeijendecker; Verplicht-wederkerig) en HR 16 maart 1994, BNB 1994, 180 (Laeijendecker; Facultatief-wederkerig).
Aandacht verdienen hier nog de bedingen in huwelijkse voorwaarden.1 Hoe zit het met aanspraken uit hoofde van finale verrekenbedingen werkend bij overlijden en art. 4:4 lid 2 BW? Tot de invoering van het huidige erfrecht werden deze bedingen gesauveerd door het feit dat contractuele erfstellingen en legaten bij huwelijkse voorwaarden mogelijk waren.2 Dergelijke bedingen werden in 4:921 lid 2 BW(oud) en art. 1370 lid 2 Boek 4 BW (oud) uitgesloten van het verbod.
Daar waar finale verrekenbedingen zien op de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen is art. 4:4 lid 2 BW vanzelfsprekend niet van toepassing. Deze bedingen ruimen immers het huwelijksvermogensrechtelijke verleden op en komen in de plaats van aanspraken die al tijdens leven bestonden. Maar hoe zit het met louter finale verrekenbedingen? Als gevolg van het overlijden van een van de contractanten kan ten behoeve van de langstlevende een vordering ontstaan. Ziet deze vordering op een evenredig deel in de nalatenschap van de overledene? Kan men de vergelijking maken met het in par. 3.3 van dit hoofdstuk behandelde voorbeeld 4, dat zag op een schenking van een bepaald saldo in de nalatenschap, indien de omvang van de vordering berekend wordt in een hoegrootheid die overeenkomt met (een evenredig deel van) de nalatenschap?
Bij de ‘gebruikelijke’ facultatieve en verplicht eenzijdige en wederkerige bedingen bij huwelijkse voorwaarden ontstaan vorderingen berekend op basis van het fictief bestaan van een gemeenschap van goederen.3 Deze overeenkomsten zien dan niet op de nalatenschap als zodanig. Ook met de vermommingstheorie kan niet geconcludeerd worden dat het verbod van toepassing is. Zo is voor de vraag of er een vordering bestaat en hoe groot deze is ook de omvang van het vermogen van de langstlevende van belang. Elementen die, als men de vergelijking zou willen maken, wezensvreemd zijn aan een erfstelling. De nalatenschap als zodanig is bij de gebruikelijke bedingen niet in het geding. Ook een verblijvingsbeding dat ziet op de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap kan mijns inziens in de regel de toets van art. 4:4 lid 1 doorstaan. Niet de nalatenschap, doch de ontbonden huwelijksgemeenschap is het object van de overeenkomst.
Wel is het zaak te constateren dat het niet ondenkbaar is dat art. 4:4 lid 2 BW speelt bij verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden. Zo zal een regeling waarbij echtgenoten overeenkomen dat bij overlijden (van een van hen) de langstlevende recht heeft op een bedrag groot 10% van het vermogen van de eerststervende nietig zijn. Het feit dat het echtgenoten betreft en de regeling in huwelijkse voorwaarden is opgenomen, doet hieraan niet af. De regeling van de contractuele erfstellingen en legaten kan niet meer altijd fungeren als ‘reddende engel’. Is het bedrag vooraf vastgesteld dan is mijns inziens geen sprake van nietigheid. Wil de wetgever dat dergelijke bedingen wel mogelijk zijn dan is het geen luxe bedingen bij huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk van het verbod van art. 4:4 lid 2 BW uit te zonderen.