Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.8:1.8 Plan van aanpak
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.8
1.8 Plan van aanpak
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499126:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift kent een thematische aanpak en is onderverdeeld in vijf delen. Het eerste deel, waarvan dit inleidende hoofdstuk deel uitmaakt, is algemeen van aard. Hoofdstuk 2 gaat in op de kenmerken van de btw en vormt het algemene toetsingskader. Ik sta daarin kort stil bij de geschiedenis van de btw, de doorwerking van het Unierecht in het nationale recht en het rechtskarakter van de btw. Bij de bespreking van het rechtskarakter van de btw staat de vraag centraal wie, wat en op welke wijze de btw beoogt te belasten. Daarbij zal een belangrijke rol zijn weggelegd voor het neutraliteitsbeginsel. Het tweede deel, dat hoofdstukken 3 en 4 beslaat, staat in het teken van de btw-positie van de leverancier. Dit deel gaat dus over de oninbare vorderingen. In hoofdstuk 3 ga ik in op het Unierecht. Ik sta daarbij uitvoerig stil bij de betekenis en rol van art. 90 Btw-richtlijn. Hoofdstuk 4 handelt over het nationale recht, in het bijzonder art. 29 lid 1 en 2 (de btw-correctie), lid 5 (de correctie op de correctie) en lid 6 (overdracht van vorderingen) Wet OB 1968. Per deelonderwerp ga ik in op de verhouding tussen het nationale recht en het Unierecht (waaronder het rechtskarakter van de btw). In dit tweede deel geef ik antwoord op de hiervoor in paragraaf 1.3 geformuleerde deelvragen a en b (bezien vanuit de leverancier). Deel drie van deze studie is gewijd aan de afnemer en diens onbetaalde schulden. Ook in dit deel behandel ik eerst het Unierecht (hoofdstuk 5) en vervolgens het nationale recht (hoofdstuk 6). Het betreft art. 184-186 Btw-richtlijn respectievelijk art. 29 lid 7 en 8 Wet OB 1968. Tevens komt hun onderlinge verhouding aan bod. Ook in dit derde deel beantwoord ik de in paragraaf 1.3 geformuleerde deelvragen a en b, alleen dan bezien vanuit de afnemer. Het vierde deel (hoofdstuk 7) gaat over de samenhang tussen de regeling voor oninbare vorderingen en de regeling voor onbetaalde schulden. Zowel de verhouding op Unierechtelijk niveau als die op het nationaalrechtelijke niveau zal de revue passeren. In dit deel zal ik de hiervoor (paragraaf 1.3) geformuleerde deelvraag c beantwoorden. Deel vijf behelst de uitleiding van mijn onderzoek. In hoofdstuk 8 zijn de conclusies opgenomen en kom ik tot de beantwoording van de onderzoeksvraag en daaraan verbonden deelvragen. In dat hoofdstuk doe ik tevens enkele aanbevelingen, zich deels vertalend in een proeve van richtlijn en proeve van wet.