Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.2.1
IV.2.2.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zoals ik in § IV.2.1.2 al schreef, kunnen onder omstandigheden ook de oprichters, de Ondernemingskamer en de rechtbank een niet-uitvoerend bestuurder benoemen. Bovendien kan de benoemingsbevoegdheid bij een BV statutair bij een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding worden gelegd. Tot slot biedt art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 12 BW aan structuurvennootschappen de mogelijkheid in een custom made benoemingsregeling te voorzien. In deze subparagraaf ga ik er gemakshalve van uit dat de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder conform de hoofdregel door de algemene vergadering geschiedt. De hierna te bespreken beperkingen van de benoemingsvrijheid gelden niettemin evenzeer indien niet de algemene vergadering, maar een ander bevoegd is de niet-uitvoerende bestuurder te benoemen.
Ik ben mij ervan bewust dat voor banken en verzekeraars aanvullende beperkingen gelden. Aangezien het monistische bestuursmodel op grond van art. 3:19 lid 1 Wft in beginsel niet openstaat voor clearinginstellingen, banken en verzekeraars, laat ik deze sectorspecifieke regels in dit boek buiten beschouwing. Voor een overzicht van de wettelijke vereisten die voor de benoeming en aanstelling van een toezichthouder van een bank of verzekeraar gelden, verwijs ik naar Lieverse, Ondernemingsrecht 2017/145.
In de vorige subparagraaf besprak ik de regeling omtrent de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder. Ik concludeerde dat de bevoegdheid tot benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel bij de algemene vergadering rust.1 De algemene vergadering geniet evenwel geen volledige benoemingsvrijheid.
In deze subparagraaf bespreek ik de beperkingen van de benoemingsvrijheid die (kunnen) voortvloeien uit (het systeem van) de wet en de statuten van de vennootschap. Deze beperkingen moeten zowel bij de benoeming als bij de eventuele herbenoeming van de niet-uitvoerende bestuurder in acht worden genomen. Ook de Code bevat voorschriften die de benoembaarheid van niet-uitvoerende bestuurders bij beursvennootschappen beperken. Zo moet de algemene vergadering rekening houden met de in best practice bepaling 2.1.7 en 2.1.8 opgenomen onafhankelijkheidseisen. Die eisen laat ik in deze subparagraaf verder rusten. Ik kom hier in § VI.4.2.4 op terug.2