Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.2.1:1.2.1 Vraagstelling
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.2.1
1.2.1 Vraagstelling
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713187:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift onderzoekt wat de betekenis is van de hoedanigheid van laedens-ondernemer voor de buitencontractuele aansprakelijkheid. Meer specifiek onderzoekt het proefschrift of de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers naar Nederlands recht een (quasi-)risicoaansprakelijkheid is. Onder ‘ondernemer’ wordt de bedrijfsmatige rechtspersoon verstaan.1 Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het eerst noodzakelijk om helder te krijgen wat ik versta onder (quasi-)risicoaansprakelijkheid. In hoofdstuk 2 onderscheid ik vier vormen van risicoaansprakelijkheid: aansprakelijkheid zonder daad, aansprakelijkheid zonder dader(schap), aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid en aansprakelijkheid zonder toerekenbaarheid.2 Onder quasi-risicoaansprakelijkheid wordt een aansprakelijkheid verstaan waarin deze elementen wel vereist zijn, maar waarin zij gerelativeerd worden.3
De vervolgvraag is welke betekenis de hoedanigheid van ondernemer heeft voor de beoordeling en invulling van bovengenoemde vier elementen: ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’. Deze vraag valt uiteen in drie deelvragen. De eerste twee deelvragen zien op het positieve recht, de derde deelvraag richt zich op de grondslag (de rechtvaardigheidsgrond) van de aansprakelijkheid van ondernemers. De eerste deelvraag houdt in: in hoeverre biedt het juridisch kader de rechter de mogelijkheid om de hoedanigheid van ondernemer mee te wegen in zijn beoordeling en invulling van de vereisten ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’? De tweede vraag is: indien de hoedanigheid van ondernemer wordt meegewogen, wat is dan het juridisch effect op het aansprakelijkheidsoordeel? Is bijvoorbeeld nog vereist dat sprake is van een daad, daderschap, onrechtmatigheid of schuld in enge zin indien de laedens een ondernemer is? Of, meer afgezwakt, neemt de rechter bijvoorbeeld eerder aan dat sprake is van een daad, van daderschap, onrechtmatigheid of toerekenbaarheid, indien de aangesproken partij een ondernemer is? Komt de aansprakelijkheidsdrempel lager te liggen indien de laedens een ondernemer is? De derde deelvraag bouwt voort op de tweede deelvraag: indien een bepaald juridisch effect wordt gevonden, wat is dan de rechtvaardiging voor dit effect?