Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.2.2
1.2.2 Doelstelling
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713186:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kestemont 2016, p. 64.
Kestemont (2016, p. 64) omschrijft een juridische theorie (welke omschrijving zij deels ontleent aan Van Hoecke 2010, p. 23) als “een geheel van logisch samenhangende, met name niet strijdige beweringen, opvattingen en begrippen betreffende een bepaald rechtssysteem, of een onderdeel ervan, dat toelaat verklaringen of voorspellingen af te leiden aangaande de gelding of werking van rechtsregels, rechtsbegrippen of rechtsbeginselen.”
Het resultaat is een combinatie van een ‘Grundbegriffstheorie’ en een ‘Prinzipientheorie’. Volgens Kestemont (2016, p. 65-66, met verwijzing naar Dreier, Recht-Moral-Ideologie, Frankfurt am Main: Suhrkamp 1981) is een Grundbegriffstheorie een theorie over basisconcepten die besloten liggen in normen, zoals het concept van de rechtspersoon of het concept van schuld. Een Prinzipientheorie focust zich op de inhoud, het juridisch karakter en de functie van abstracte normen, zoals rechtsbeginselen.
Zie over de maatschappelijke relevantie: par. 1.5.1. Zie over deze verklarende functie en de relevantie voor de rechtspraktijk: Kestemont 2016, p. 65-65.
Kestemont 2016, p. 65, 67-68.
Ik heb deze terminologie ontleend aan: Hartlief, WPNR 2004/6564, p. 107-108.
Zie bijvoorbeeld: Van Maanen 1986.
Het doel van dit onderzoek is theorievorming over de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers. Volgens Kestemont beoogt de theorievormende onderzoeksdoelstelling om “uit (een verzameling van) rechtsregels of rechtszaken een gemeenschappelijke noemer of een patroon te leiden om zo tot een theorie te komen.”1 Aan de hand van rechtsregels en jurisprudentie streeft dit proefschrift ernaar een patroon te ontdekken in de toepassing en de aard van de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers. Op basis van dit patroon formuleer ik een nieuwe theorie2 over de toepassing van het risicobeginsel als grondslag voor de buitencontractuele aansprakelijkheid van ondernemers.3 Deze theorie heeft potentieel voorspellende waarde, omdat zij meer inzicht kan verschaffen in de wijze waarop de vereisten ‘daad’, ‘daderschap’, ‘onrechtmatigheid’ en ‘toerekenbaarheid’ worden ingevuld indien de aangesproken partij een ondernemer is. Hiermee beoogt het onderzoek tevens van meerwaarde te zijn voor de rechtspraktijk.4
Door de theorievormende onderzoeksdoelstelling kent dit proefschrift enige mate van abstractie.5 Dit proefschrift is dan ook geen handboek. Het beoogt niet oplossingen te bieden voor allerlei praktische problemen. Het doel is namelijk niet om ‘kleine stapjes’ te zetten, maar om een ‘grotere beweging’ van de positie van de ondernemer binnen het aansprakelijkheidsrecht te belichten.6 Daarnaast is het doel niet om een historisch overzicht te schetsen van de buitencontractuele aansprakelijkheid (van ondernemers).7 Verder heb ik niet voor ogen om een wettelijke regeling van ‘ondernemersaansprakelijkheid’ te ontwerpen. Voorts is niet beoogd om te achterhalen wat de perceptie van de rechter is ten aanzien van ondernemers en of de rechter de hoedanigheid van ondernemer bewust meeneemt in zijn afweging. Tot slot beoogt het proefschrift niet concrete zorgplichten voor ondernemers te formuleren of uitputtend aan te geven onder welke concrete omstandigheden een ondernemer aansprakelijk is voor ingetreden schade. Een dergelijke exercitie is onhaalbaar, gelet op de grote verscheidenheid aan feiten die in de praktijk een rol kunnen spelen. Dat laat onverlet dat de bevindingen wel degelijk praktische relevantie kunnen hebben voor de ontwikkeling van zorgplichten van ondernemers.