Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.6.2
8.6.2 De structuurrechtspersoon
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180106:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikelen 2:63a, 2:152 en 2:262 e.v. BW.
Artikelen 2:153 lid 2 en 2:263 lid 2 BW. Voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij worden de criteria gegeven in artikel 2:63b lid 2 BW. Deze wijken iets af van die van de naamloze vennootschap en besloten vennootschap in de zin dat de drempel wordt bepaald op basis van het eigen vermogen in plaats van het geplaatst kapitaal tezamen met de reserves.
Dit bedrag is vastgesteld bij Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling, Stb. 2004, 370. In artikel III van deze wet wordt het drempelbedrag in de artikelen 2:153 lid 2 BW, 2:263 lid 2BW en 2:63b lid 2 BW verhoogd tot € 16 miljoen totdat het zal worden verhoogd of verlaagd.
Indien een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij, een naamloze vennootschap of besloten vennootschap gedurende drie achtereenvolgende jaren voldoet aan de vereisten voor de structuurrechtspersoon, is het verplicht tot het instellen van een raad van commissarissen.1 Een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap is een structuurrechtspersoon indien:2
het geplaatste kapitaal van de vennootschap tezamen met de reserves volgens de balans met toelichting ten minste een bij Koninklijk Besluit vastgesteld grensbedrag3 beloopt;
de vennootschap of een afhankelijke maatschappij4 krachtens wettelijke verplichting een ondernemingsraad heeft ingesteld; en
bij de vennootschap en haar afhankelijke maatschappijen, tezamen in de regel ten minste honderd werknemers in Nederland werkzaam zijn.