Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.5.1
4.2.5.1 Wet naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649907:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Stb. 2012, 693).
Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 22-23. Een andere reden die t.a.p. wordt genoemd is het zoeken van aansluiting bij regelingen in het (Europese) buitenland.
Het is opmerkelijk dat de Monitoring Commissie in haar aanbevelingen al had aangegeven niet langer iets te zien in een verplichte melding van intenties van aandeelhouders, omdat het lastig bleek deze verplichting op zodanige wijze vorm te geven dat deze bereikt wat wordt beoogd (Geactualiseerde Corporate Governance Code van 10 december 2008, Aanbevelingen aan de wetgever, p. 45, onder paragraaf 3).
Kamerstukken II 2008/09, 32014, nr. 3 (MvT), p. 7-9.
Zie in dit verband ook Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 10.
Zie over de meldingsplicht intenties verder Sijnja 2010, p. 177-200.
Met de Wet naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie1 (dat wil zeggen: het advies van de commissie Frijns) werd in 2013 de kapitaaldrempel in art. 2:114a BW verhoogd van 1% naar 3%. De alternatieve kapitaaldrempel van € 50 miljoen marktwaarde kwam te vervallen. Gepaard met de verhoging van de kapitaaldrempel voor de indiening van agenderingsverzoeken ging de verlaging van de ondergrens die op grond van de Wft geldt voor de melding van een substantiële deelneming. Deze ondergrens ging van 5% naar 3%. Een achterliggende gedachte van het gelijktrekken van de kapitaaldrempel voor de indiening van agenderingsverzoeken met de ondergrens voor de melding van substantiële deelnemingen is dat op deze manier de vennootschap bekend geraakt met welke aandeelhouders gebruik kunnen maken van het agenderingsrecht.2 Dit is echter slechts ten dele waar, nu aandeelhouders die enkel gezamenlijk 3% of meer van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, gezamenlijk het agenderingsrecht hebben (zie par. 5.2.2) zonder dat voor hen de meldingsplicht geldt. De meldingsplicht geldt alleen voor degene die zelfstandig een drempelwaarde overschrijdt.3
Aanvankelijk was in het wetsvoorstel ook nog voorgesteld om een nieuw art. 5:43a Wft in te voeren. Hierin was voor aandeelhouders van vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt de verplichting neergelegd om onverwijld bij de AFM hun intenties kenbaar te maken, wanneer zij ten minste 3% van het geplaatste kapitaal of 3% van de stemmen zouden gaan houden.4 De achterliggende gedachte was dat het bestuur op basis van deze melding beter kon communiceren met de aandeelhouders en dat aandeelhouders beter geïnformeerd waren over hun medeaandeelhouders.5 Deze voorgestelde ‘Meldingsplicht intenties’ kan mijns inziens niet los worden gezien van de verhoging van de kapitaaldrempel voor de indiening van agenderingsverzoeken naar 3%. De intenties van een aandeelhouder worden immers beduidend relevanter wanneer deze een middel in handen heeft om de agenda van de algemene vergadering mede te bepalen.6 Het voorgestelde art. 5:43a Wft werd bij amendement uit het wetsvoorstel gehaald.7
Voorts werd met deze wet een nieuw hoofdstuk 3A (Identificatie van aandeelhouders) in de Wge ingevoegd. Het daarin opgenomen art. 49c Wge bevat het, wat ik noem, ‘informatieverzendingsrecht’ van aandeelhouders.8 Een aandeelhouder van een NV of BV met een notering aan een gereglementeerde markt als bedoeld in art. 1:1 Wft kan zijn agenderingsrecht met behulp van het informatieverzendingsrecht kracht bijzetten. Zie over het gecombineerd gebruik van deze twee rechten par. 2.4.6.5.