Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.14.2.2:7.14.2.2 Korte, subjectieve verjaringstermijn
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.14.2.2
7.14.2.2 Korte, subjectieve verjaringstermijn
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582394:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 7 maart 2007, LJN BA0926(CEF/FEG).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een schending van het mededingingsrecht kan worden gezien als een onrechtmatige daad die in de tijd voortduurt. De verbintenis tot vergoeding van schade van een dergelijke voortdurende onrechtmatige daad zal veelal deel voor deel ontstaan. Het gevolg is dat de verjaringstermijn ook deel voor deel gaat lopen. Het betreft dus geen verjaringstermijn die op één bepaald tijdstip in haar geheel gaat lopen.
Recentelijk heeft een vonnis van de Rechtbank Rotterdam duidelijk gemaakt dat het voor de gelaedeerde van een schending van het mededingingsrecht van belang is tijdig een schadevergoedingsactie in te stellen tegen de laedens, en niet te wachten tot de Commissie een definitieve beslissing heeft genomen. Het betreft de zaak CEF City Electrical Factors B.V. (cEF) tegen de bestuurders van branchevereniging de Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch gebied (FEG).1De gedupeerde die met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en als gevolg daarvan een Macht bij de Commissie heeft ingediend, dient niet te lang te wachten op de bevinden van de Commissie indien het onderzoek lang duurt. De korte vijfjarige verjaringstermijn kan in dergelijke gevallen namelijk zijn verstreken.
In de zaak CEF/VEG kwam de Commissie in 1999 tot een definitieve beslissing tegen branchevereniging FEG op een in 1990 door CEF ingediende Macht. FEG werd door de Commissie schuldig bevonden aan een inbreuk op artikel 81 lid 1 EG door een collectieve exclusief-verkeersregeling aan te gaan die erop gericht was leveringen aan niet-FEG-leden te verhinderen. Tevens beperkte FEG rechtstreeks en onrechtstreeks de vrijheid van haar leden om zelfstandig hun verkoopprijzen vast te stellen (de vrijheid werd beperkt door het bindend besluit vaste prijzen, het bindend besluit inzake publicaties, het verspreiden van prijsadviezen aan de leden betreffende bruto- en nettoprijzen alsmede door het bieden van een forum voor de leden voor het voeren van discussies betreffende prijzen en kortingen). Aan FEG werd een geldboete opgelegd van € 4,4 miljoen. In 1999 heeft CEF een civiele procedure ingesteld ter verkrijging van schadevergoeding tegen FEG en twee deelnemende ondernemingen. 19 mei 2000 stelt CEF voor de eerste keer ook de bestuursleden van FEG aansprakelijk voor de schade die de branchevereniging heeft veroorzaakt. Die brief stuit een eventueel lopende verjaringstermijn. De bestuurders van FEG verweren zich onder meer met de stelling dat voor zover de vordering van CEF jegens de bestuurders is gebaseerd op onrechtmatig handelen van FEG, de eventuele rechtsvordering tot vergoeding van schade is verjaard.
De Rechtbank overweegt dat bij een voortdurende onrechtmatige daad bestaande uit oneerlijke mededinging de verbintenis tot het vergoeden van schade deel voor deel zal ontstaan. Het door de bestuurders gevoerde verjaringsverweer slaagt volgens de Rechtbank indien het relevante onrechtmatige handelen niet tot na 19 mei 1995 (5 jaar voor de bestuurders aansprakelijk zijn gesteld) heeft voortgeduurd en CEF vóór 19 mei 1995 bekend was met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke personen. In het dossier van de Commissie staat dat de inbreuken op artikel 81 EG een periode betreffen die tenminste tot 1994 loopt. CEF slaagt niet in het bewijs dat het kartel ook na 1994 heeft voortgeduurd. CEF heeft ter ondersteuning van haar stelling onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. De producties waarop CEF zich beroept, bieden aan die stelling geen steun. Voor het aannemen van een bewijsvermoeden ten gunste van CEF bestaat daarom geen grond. Dat het voor CEF erg moeilijk zou zijn om de beschikking te krijgen over relevante bewijsmiddelen rechtvaardigt evenmin het aannemen van een bewijsvermoeden. Voorts kan niet worden gezegd dat de bestuurders een (verzwaarde) motiveringsplicht hebben geschonden. Het verjaringsverweer van de bestuurders slaagt. De Rechtbank neemt aan dat CEF bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon vanaf het moment dat de klacht was ingediend bij de Commissie.
Zoals reeds gezegd begint de korte, subjectieve termijn pas te lopen na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en niet op het moment dat de mededingingsbeperkende overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand komt. Deze regeling zal niet snel in strijd zijn met het effectiviteitsbeginsel.