Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.1
II.3.1 Inleiding: naar een toetsingskader voor de beoordeling van de kwaliteit van opsporingsmethoden
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453161:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.H. Crijns & P.P.J. van der Meij, ‘Over de grenzen van de materiële waarheidsvinding’, in: R.H. Haveman & H.C. Wiersinga (red.), Langs de randen van het strafrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 51-53 en M.S. Groenhuijsen, ‘Waarheidsvinding in het strafrecht’, in: Waarheid en waarheidsvinding in het recht (Handelingen Nederlandse Juristen- Vereniging 2012-I), Deventer: Kluwer 2012, p. 246 e.v. en M.J. Dubelaar, Betrouwbaargetuigenbewijs. Totstandkoming en waardering van strafrechtelijke getuigenverklaringenin perspectief (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2014, p. 18 e.v.
Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 264-265.
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 19.
Kamerstukken II 2002-2003, 28 695, nr. 3, p. 5 (Memorie van Toelichting Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden) en Kamerstukken II 2009-2010, 32 168, nr. 3, p. 4 (Memorie van Toelichting Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere onderwerpen).
Een belangrijk doel van het strafprocesrecht is het vorm geven van de procedure waarbinnen het materiële strafrecht correct kan worden toegepast. Om het materiële strafrecht juist toe te passen, dient met een bepaalde mate van zekerheid vast komen te staan of de verdachte burger een strafbaar feit heeft gepleegd.1 Met uitzondering van consensuele afdoening, is het enkel gerechtvaardigd (ingrijpende) sancties op te leggen als een autoriteit met voldoende zekerheid vaststelt dat een verdachte burger een strafbaar feit heeft begaan. Materiële waarheidsvinding is derhalve een essentieel onderdeel waarin het strafprocesrecht moet voorzien. Het strafprocesrecht regelt immers de voorwaarden waarbinnen het strafrecht wordt toegepast. Om de waarheid uiteindelijk vast te kunnen stellen zijn opsporingsmethoden noodzakelijk. Een opsporingsmethode is een werkwijze die justitie en/of politie inzet om informatie over te plegen of gepleegde strafbare feiten te achterhalen.2 Er wordt gesproken van een opsporingsbevoegdheid als de methode een (expliciete) wettelijke basis kent.3 Het Wetboek van Strafvordering (en andere strafvorderlijke wetgeving en regelingen) bevat(ten) geen limitatieve en definitieve lijst van opsporingsmethoden die kunnen worden gebruikt ten behoeve van de waarheidsvinding. Telkens worden nieuwe technieken en tactieken ontwikkeld waarmee justitie en politie informatie over strafbare feiten achterhalen.
Zo wordt bijvoorbeeld steeds verdergaand DNA-onderzoek mogelijk door de technologische ontwikkeling in de medisch-biologische wetenschap. Door de wetgever worden deze technologische vooruitgangen gebruikt om alsmaar meer vormen van DNA-onderzoek in het strafprocesrecht te introduceren.4 In eerste instantie is het DNA-onderzoek in het strafprocesrecht geïntroduceerd om te beoordelen of biologische sporen die op de plaats delict zijn aangetroffen matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Tegenwoordig kunnen uit gevonden sporen ook uiterlijk waarneembare kenmerken worden afgeleid om bijvoorbeeld een compositietekening op te baseren als nog geen verdachte in beeld is.
Omdat de ontwikkeling van nieuwe onderzoeksmethoden (zoals het DNA-onderzoek) doorgaat en ook de uitvinding en ontwikkeling van technologische apparatuur (bijvoorbeeld afluisterapparatuur, peilzenders) aanhoudt, die allemaal ook in het strafprocesrecht kunnen worden gebruikt, wordt het steeds belangrijker om te beoordelen of een bepaalde bevoegdheid van toegevoegde waarde is op het al bestaande arsenaal van mogelijkheden. Daarnaast wordt in een concreet opsporingsonderzoek telkens beoordeeld welke bevoegdheid(en) in die zaak dien(t)(en) te worden ingezet. Hoe meer bevoegdheden tot de keuzemogelijkheden behoren, hoe lastiger het maken van de keuze is. Dit maakt het belang van een toetsingskader voor opsporingsmethoden direct duidelijk. Een overzicht waaraan opsporingsmethoden kunnen worden getoetst op hun belang voor de waarheidsvinding is essentieel om een keuze te maken of een bepaalde bevoegdheid door de wetgever moet worden gecreëerd en welke bevoegdheid in een concrete zaak het beste kan worden ingezet. Het opstellen van een toetsingskader om opsporingsbevoegdheden mee te kunnen beoordelen is het eerste doel van dit hoofdstuk.
II.3.1.1 Het toetsingskader: effectiviteit en efficiëntieII.3.1.2 Tussenconclusie