Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.2.2:11.2.2 Landgoedrechtspersonen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.2.2
11.2.2 Landgoedrechtspersonen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606608:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op vergelijkbare wijze als zal gelden voor de OVR en CVR, is in art. 7a NSW 1928 bepaald dat landgoedrechtspersonen onder voorwaarden transparant zijn voor de heffing van het successie- en schenkingsrecht. Hierdoor worden de bezittingen en schulden van een landgoed-NV of -BV toegerekend aan de aandeelhouders/natuurlijke personen. De aandeelhouders kunnen hierdoor profiteren van de vrijstelling voor de heffing van het successie- en schenkingsrecht van art. 7 NSW 1928. De voorwaarden die in dit kader worden gesteld zijn dat de werkzaamheden van de NV of BV uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding en exploitatie van landgoederen, dat alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn en dat het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt. Op basis van art. 7a lid 3 NSW 1928 mag het aantal aandeelhouders/natuurlijke personen wel meer dan twintig bedragen indien de overschrijding is veroorzaakt door erfenis, legaten, schenkingen en ontbindingen van huwelijksgemeenschappen of gemeenschappen van geregistreerd partnerschap.
Ik merk op dat deze regeling niet volledig rechtsvormneutraal is: alleen de NV en BV kunnen kwalificeren als landgoedrechtspersoon, en bijvoorbeeld niet een coöperatie. Hiervoor bestaat naar mijn mening geen goede reden. Met het oog op de invoering van het wetsvoorstel ‘Invoering van titel 7.13 BW’ vind ik bovendien dat de OVR en CVR ook zouden moeten kunnen kwalificeren. Hierin is echter niet voorzien.1
Overigens geldt de fiscale transparantie van een landgoed-NV of -BV onder vergelijkbare voorwaarden ook voor de heffing van inkomstenbelasting. Dit vloeit voort uit art. 10.9 Wet IB 2001 jo. art. 23 Uitv.besl. IB 2001. Als gevolg hiervan komen de aandeelhouders in aanmerking voor de vrijstelling van landgoederen in box 3, welke is opgenomen in art. 5.7 Wet IB 2001. Hierbij valt op dat in art. 23 lid 4 Uitv.besl. IB 2001 voor de overschrijding van het aantal aandeelhouders/natuurlijke personen, anders dan in art. 7a lid 3 NSW 1928, niet wordt gesproken over de ontbinding van een gemeenschap van geregistreerd partnerschap. Op basis van de algemene gelijkstelling van het geregistreerd partnerschap met het huwelijk in art. 2 lid 6 AWR ga ik er echter vanuit dat dit per saldo geen effect heeft.
Ter zake van de verkrijgingen van landgoederen is op basis van art. 9a NSW 1928 geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Dit geldt zowel voor natuurlijke personen als voor lichamen die een landgoed verkrijgen. Echter, zoals in hoofdstuk 10 is beschreven, is de verkrijging van een aandelenbelang van ten minste 331/3% in een onroerendezaaklichaam belast met overdrachtsbelasting. Deze heffing geldt in principe ook indien dit lichaam landgoederen in stand houdt en exploiteert: er ontbreekt namelijk een vergelijkbare regeling in de WBR en de NSW 1928 op basis waarvan NSW-lichamen als transparant worden aangemerkt voor de overdrachtsbelasting. In het besluit van 13 mei 2003, nr. CPP2003/1103M, V-N 2003/29.1.9, is echter goedgekeurd dat in deze gevallen met een beroep op de hardheidsclausule van art. 63 AWR een tegemoetkoming in de overdrachtsbelasting wordt verleend.