Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.13.10:5.13.10 Grondrechtelijke toetsing van het onderscheid tussen de drie rechtsvormen
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.13.10
5.13.10 Grondrechtelijke toetsing van het onderscheid tussen de drie rechtsvormen
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633735:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 13 december 2001, Metropolitan Church of Bessarabia v. Moldavië, r.o. 105; EHRM 31 juli 2008, nr. 40825/98, Jehovah’s Getuigen e.a. v. Oostenrijk, r.o. 82; EHRM 1 oktober 2009, Kimlya e.a. v. Rusland, r.o. 84.
Van der Ploeg 2014, p. 400.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 421.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf onderzoek ik of de geconstateerde verschillen tussen de drie rechtsvormen toelaatbaar zijn vanuit mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief.
Rsl-gemeenschappen hebben op grond van de EHRM-rechtspraak over artikel 9 EVRM recht op rechtspersoonlijkheid en een rechtsvorm die passend is voor rsl-gemeenschappen.1 In Nederland kunnen zij kiezen voor de rechtsvorm die het beste past bij hun grondslag of doelstelling.
Er bestaat een groot onderscheid tussen kerkgenootschap enerzijds en vereniging en stichting anderzijds, vooral doordat voor deze laatste twee rechtsvormen een wettelijk regime bestaat dat voor het kerkgenootschap ontbreekt. Dit onderscheid levert geen strijd op met het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Deze vrijheid is immers niet absoluut. Beperking hiervan is mogelijk mits die bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 9, lid 2 EVRM). Het wettelijke regime van vereniging en stichting dient volgens Van der Ploeg het laatstgenoemde doelcriterium: het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.2 Ook openbare orde als doelcriterium kan in mijn optiek daarbij een rol spelen. De overheid heeft voor de bescherming van de openbare orde een dwingend systeem van privaatrechtelijke rechtspersonen ingevoerd. Uit dit gesloten stelsel van rechtsvormen kan een rsl-gemeenschap kiezen, maar zij mag niet de rechtsvormen mengen. Wel is onder voorwaarden omzetting van de ene rechtsvorm in de andere mogelijk.3
Wanneer de rechter gebruik maakt van zijn wettelijke bevoegdheden voor de inrichting van de geloofsgemeenschap in stichtingsvorm, zal de rechter zich niet mengen in geloofszaken, maar op basis van objectieve gronden oordelen, zodat de vrijheid van godsdienst niet in het geding is.4
Een ander onderscheid betreft de uitzondering op de registratie van de namen van bestuurders van kerkgenootschappen in het Handelsregister. Dit is gebaseerd op de bescherming van het recht op privacy in artikel 9 AVG. Deze bepaling verbiedt echter niet alleen de verwerking van persoonsgegevens waaruit iemands geloofsovertuiging blijkt, maar ook de registratie van iemands levensovertuiging. Het gaat in beide gevallen om bijzonder privacygevoelige gegevens. Vanwege de grote correlatie tussen bijvoorbeeld de signatuur van de levensbeschouwelijke (of spirituele) vereniging of stichting en de (spirituele) levensovertuiging van de bestuurders daarvan zou ook hier uit de registratie van de bestuurders in het Handelsregister hun (spirituele) levensovertuiging kunnen worden afgeleid.
Door de uitzondering van registratieplicht te beperken tot bestuurders van kerkgenootschappen, biedt de wetgever naar mijn mening minder privacybescherming aan bestuurders van een vereniging of stichting op religieuze, spirituele of levensbeschouwelijke grondslag. De bescherming van bijzonder privacygevoelige gegevens zoals uit de registratie herleidbare geloofsovertuiging en levensovertuiging van de bestuurders is dan afhankelijk van de rechtsvormkeuze van de rsl-gemeenschap.
Daarbij komt dat de rechtsvorm kerkgenootschap niet openstaat voor levensbeschouwelijke en waarschijnlijk ook niet voor spirituele gemeenschappen en vanwege de joodse en christelijke associatie zelden voorkomt bij andere geloofsgemeenschappen. Gezien de nevenschikking van religie en levensovertuiging in artikel 6 GW en artikel 9 EVRM zou naar mijn mening uitbreiding van de rechtsvorm kerkgenootschap – met een inclusievere benaming – tot alle rsl-gemeenschappen hier een oplossing bieden.