Einde inhoudsopgave
Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/3.7.7.3.2
3.7.7.3.2 Wijze van uitwinning van vorderingen tot levering van een onroerende zaak
Mr. L.P. Broekveldt, datum 31-03-2003
- Datum
31-03-2003
- Auteur
Mr. L.P. Broekveldt
- JCDI
JCDI:ADS394472:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie aldus Part Gesch. Wijz. Rv, p. 175-176.
Dat is echter alleen mogelijk indien alle betrokken partijen, alsmede eventuele schuldeisers zoals hypotheekhouders of andere beperkt gerechtigden, daarmee uitdrukkelijk instemmen. Art. 3:268 lid 2 (onderhandse verkoop door hypotheekhouder met toestemming van de voorzieningenrechter van de rechtbank) is hier immers niet van toepassing.
Zie aldus Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 176. Daarbij moet men zich overigens wel realiseren dat niet voor elk goed op naam in de wet eigen regels voor executie er van zijn gegeven. Zo ontbreken deze bijv. voor vorderingen op naam (zie daarover nog hierna § 3.7.7.4).
Zie in dit verband de door de Staatscommissie-Haardt voorgestelde oplossing in haar ontwerp-art. 477 lid 4 (Rapport, p. 10), op grond waarvan de beslaglegger bevoegd was meteen zelf tot executie over te gaan. Aangezien dit voorstel alleen betrekking had op door de derde-beslagene ter executie af te geven roerende zaken, was het reeds daarom minder goed bruikbaar voor het nieuwe beslagrecht.
Zie aldus Part Gesch. Wijz. Rv, p. 181.
Ingevolge art. 3:277 lid 1 worden schuldeisers 'na voldoening van de kosten van executie, uit de netto-opbrengst van de goederen voldaan'. Het begrip 'kosten van executie' is verder nergens in de wet gedefinieerd (zie daarover Part Gesch. Boek 3, p. 856; G.A.J. Boekraad, Afwikkeling van de faillissementsboedel (diss. Nijmegen), 1999, p. 31 e.v.).
De hierboven geciteerde passage is, evenals de tweede volzin van art. 477b lid 2 pas bij de eerste Nota van wijziging in art. 525 lid 2 opgenomen. Een en ander houdt verband met de mogelijkheid voor de derde-beslagene om, zonder dat hij het risico loopt dat de onroerende zaak buiten hem om rechtstreeks zou worden geleverd, zich, zo nodig, nog op een opschortingsrecht te beroepen (vgl. Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 243, jo. p. 182).
Zie aldus Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 243.
Aangenomen zal namelijk moeten worden dat aan het derdenbeslag, zodra de derde de onroerende zaak of ander goed op naam schriftelijk aan de deurwaarder ter beschikking heeft gesteld, in feite een einde is gekomen. Na levering van het goed aan de veilingkoper is ook de executie volledig voltooid, behoudens verdeling van de netto-opbrengst (zie daarover ook § 4.5.2.1).
Dat is de titel uit kracht waarvan het executoriaal derdenbeslag was gelegd, welke titel nadien tevens de juridische grondslag vormde om het door de derde-beslagene ter beschikking gestelde goed aan de veilingkoper te leveren.
Zie aldus Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 181; zie ook Vademecum Executie en Beslag (Van Oven), 2001, 8.3.8, die er eveneens op wijst dat zulks niet betekent dat de geëxecuteerde ook wérkelijk 'eigenaar is geworden'.
Met Van Oven (Vademecum Executie en Beslag, 2001, § 83.8) moet worden aangenomen, dat óók op een vordering tot levering van een goed op naam cumulatief derdenbeslag kan worden gelegd, zodat art. 478 daarop van toepassing is, ook al wordt in die bepaling alleen gesproken van 'verschuldigde geldsommen' (zie ook § 73.1, met daarbij in nr. 447 noot 55).
De regels van derdenbeslag
113. Wanneer het op de vordering tot levering van een goed op naam - hierna verder alleen een onroerende zaak (maar het gestelde geldt evenzeer voor andere registergoederen als teboekstaande schepen en luchtvaartuigen) - gelegde beslag in beginsel doeltreffend is, omdat de beslagdebiteur aan zijn verplichtingen jegens de derde-beslagene heeft voldaan, rijst de vraag op welke wijze dit beslag verder moet worden vervolgd en uitgewonnen. Anders gezegd: hoe wordt de vordering tot levering van de onroerende zaak uitgewonnen, opdat de beslaglegger zich uiteindelijk kan verhalen op de opbrengst van de onroerende zaak zelf? Het wettelijk systeem ter zake is enigszins omslachtig, maar op zich zelf wel voldoende duidelijk.
Dit systeem zit in grote lijnen als volgt in elkaar: (i) de derde-beslagene dient in zijn op de voet van art. 476a lid 1 af te leggen Verklaring aan te geven dat hij het beslagen goed (= de vordering tot levering) aan de beslagdebiteur verschuldigd is, waarna hij (ii) ingevolge art. 477 lid 1 verplicht is dit 'goed' overeenkomstig die Verklaring ten behoeve van de beslaglegger aan de deurwaarder ter 'beschikking te stellen'. Ingevolge de tweede volzin van deze bepaling geldt voor 'verschuldigde goederen', dat zij ook onder de derde mogen 'worden gelaten, totdat zij voor de verdere afwikkeling van de executie nodig blijken'. Deze bepaling is met name van belang wanneer het niet nodig is om meteen alle in beslag genomen goederen te verkopen, dan wel omdat het voor alle partijen eenvoudiger is het goed eerst te verkopen en daarna 'rechtstreeks aan de koper te doen toekomen' (dat wil zeggen leveren), en ten slotte wanneer de beslaglegger de afgelegde Verklaring op de voet van art. 477a lid 2 wil betwisten omdat 'hij meent dat andere goederen verschuldigd zijn'.1
Het zal geen betoog behoeven dat de in beslag genomen vordering tot levering van de onroerende zaak, niet reeds op zich zelf voor uitwinning vatbaar is. Alleen de onroerende zaak zal immers als zodanig door verkoop in het openbaar - of eventueel onderhands2 - tot een (executie-)opbrengst kunnen leiden waarop de beslaglegger zich uiteindelijk kan verhalen. Teneinde nu deze 'sprong' - van vordering naar de zaak zélf - te kunnen maken, is in art. 477 lid 5 het volgende bepaald:
'Hetgeen in handen van de deurwaarder is gesteld, wordt verder geëxecuteerd overeenkomstig de gewone regels, die voor de executie daarvan gelden.'
In de zeer summiere toelichting bij deze bepaling heeft de wetgever daarover het volgende gezegd3:
'Deze bepaling brengt mee dat ieder goed verder wordt geëxecuteerd volgens de regels die voor een zodanig goed gelden.'
Daargelaten of niet een wat eenvoudiger wijze van executie te bedenken was geweest4, brengt een en ander voor een in beslag genomen vordering tot levering van een onroerende zaak, in elk geval met zich mee dat deze executie verder op de voet van de art. 514 e.v. zal moeten plaatsvinden.
De eigen regels van executie voor onroerende zaken (art. 514 e.v.)
114. Ingevolge art. 514 lid 1 geschiedt de executoriale verkoop ten overstaan van een bevoegde notaris. Aangezien deze notaris niet reeds in het exploot van derdenbeslag als bedoeld in art. 475 lid 1 (jo. art. 475a lid 3) zal zijn aangewezen, zal diens 'aanwijzing' overeenkomstig art. 514 lid 2 in beginsel een afzonderlijk exploot van de beslaglegger aan de beslagdebiteur moeten geschieden. Niet onpraktisch zou het overigens zijn de aanwijzing van de notaris meteen in het exploot op te nemen, waarbij overeenkomstig art. 475i het exploot houdende het derdenbeslag aan de beslagdebiteur moet worden overbetekend. De juridische grondslag voor de hier besproken executoriale verkoop is, naast het bepaalde in art. 477 lid 5 verder te vinden in art. 477b lid 2 dat in het bijzonder het oog heeft op de levering die uiteindelijk aan de veilingkoper zal moeten geschieden. Daarin is het volgende bepaald:
'Levering uit hoofde van de executoriale verkoop van een goed dat de derde aan de geëxecuteerde verschuldigd was en ter beschikking van de deurwaarder heeft gesteld, geldt tevens als levering van dit goed door de derde aan de geëxecuteerde. Indien het niet gaat om een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder of order, dient de terbeschikkingstelling schriftelijk te zijn geschied.'
Deze bepaling heeft in de MvT Mv. de volgende verhelderende toelichting meegekregen5:
'Het artikel maakt mogelijk een zodanig goed, bij voorbeeld een onroerende zaak, executoriaal te verkopen, zonder dat eerst een overdracht door de derde aan de geëxecuteerde (of de executant) behoeft plaats te vinden. Voldoende is dat het goed door de derde feitelijk ter beschikking wordt gesteld. De levering aan de koper ter executie geldt dan tevens als levering door de derde aan de geëxecuteerde, zodat ook hier de derde jegens de geëxecuteerde is bevrijd en bovendien ten behoeve van de koper een aaneensluitende rij titels is verkregen.'
De met de executie belaste notaris is op grond van dit samenstel van wettelijke bepalingen niet alleen bevoegd de onroerende zaak volgens de art. 515-524 in het openbaar te verkopen, maar tevens om die zaak namens de derde-beslagene te leveren aan de koper op de veiling. Door deze levering wordt de derde dan tevens en tegelijkertijd jegens de beslagdebiteur gekweten. De levering aan de veilingkoper geschiedt blijkens art. 525 lid 1
'door inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing.'
Voor executoriale verkoop van onroerende zaken vormt art. 525 lid 1 derhalve de tegenhanger van art. 3:89 lid 1: het notarieel opgemaakte proces-verbaal van toewijzing vervangt hier de voor vrijwillige overdracht vereiste notariële akte.
Ingevolge art. 524 is de koper op de veiling gehouden 'de koopprijs te voldoen in handen van de notaris', die daaruit eerst de 'kosten van de executie'6 voldoet. De notaris dient vervolgens aan de bewaarder van de openbare registers een verklaring over te leggen, waaruit blijkt 'dat de koopprijs in zijn handen is gestort' (art. 525 lid 2). Zonder die verklaring weigert de bewaarder de inschrijving, zodat de levering dan niet tot stand kan komen. In art. 525 lid 2 is voorts bepaald dat,
'zo het om een verkoop bedoeld in artikel 477b, tweede lid, gaat, tevens een schriftelijke verklaring van de derde dat hij de zaak ter beschikking heeft gesteld van de deurwaarder die het beslag onder de derde heeft gelegd,'
wordt overgelegd aan de deurwaarder die met de executie van de onroerende zaak is belast. Zonder deze schriftelijke verklaring - waarvan de achtergrond wordt gevormd door het in § 3.7.73.1 besproken opschortingsrecht van de derde7 - dient de bewaarder de inschrijving in de openbare registers van het proces-verbaal van toewijzing eveneens te weigeren. Dit systeem van uitwinning van een in beslag genomen vordering tot levering van een onroerende zaak, is in de MvA II lnv bij art. 525 lid 2 nog als volgt nader verduidelijkt8:
'Voorts is aan het tweede lid een zinsnede toegevoegd die aansluit bij de toevoeging, in het onderhavige ontwerp aangebracht bij artikel 477b, tweede lid. Zij heeft betrekking op het geval dat derdenbeslag is gelegd op de vordering tot levering van de onroerende zaak onder degene die tot deze levering verplicht was. Uit artikel 477 lid 5 in verbinding met artikel 477b lid 2 vloeit dan voort dat deze zaak, nadat zij ter beschikking van de deurwaarder is gesteld, overeenkomstig de artikelen 514 e.v. door een notaris kan worden verkocht en met toepassing van artikel 525 rechtstreeks aan de koper ter executie kan worden geleverd.'
Op deze wijze is een sluitende, zij het enigszins omslachtige, wijze van beslag op en executie van een vordering tot levering van een onroerende zaak in het leven geroepen. Op de vraag of dat óók geldt voor uitwinning van andere goederen op naam, waarvan de vordering tot levering in beslag is genomen, zal hierna in § 3.7.7.4 worden ingaan.
De financiële afwikkeling van de executie geschiedt verder geheel door de notaris. Voor de deurwaarder die het derdenbeslag heeft gelegd, is hier geen rol meer weggelegd. Nadat de notaris ingevolge art. 524 de kosten van de executie heeft voldaan, zal hij overeenkomstig art. 551 lid 1 uit de netto-opbrengst aan de schuldeiser die het derdenbeslag had geleg9, afdragen
'hetgeen aan deze blijkens een door een hem te dien aanzien aan de notaris afgelegde verklaring krachtens zijn executoriale titel10 toekomt.'
Voor het geval sprake is van een overschot keert de notaris dat uit 'aan de geëxecuteerde' (art. 551 lid 1 laatste zin). Dat zal óók moeten gebeuren na executie uit hoofde van een gelegd derdenbeslag, aangezien levering van de onroerende zaak - het goed - ingevolge de executoriale verkoop aan de veilingkoper immers 'tevens (geldt) als levering van dit goed aan de geëxecuteerde' (art. 477b lid 2): de beslagdebiteur/geëxecuteerde wordt dus op één ondeelbaar moment - bij wege van fictie - geacht eigenaar van het geveilde goed te zijn geweest. De wetgever heeft daarmee buiten twijfel willen stellen dat de derde-beslagene door een en ander 'jegens de geëxecuteerde is bevrijd'.11 Voor het geval er vervolgens geschil over de verdeling van de netto-opbrengst ontstaat - bijv. tussen schuldeisers die eveneens derdenbeslag hebben gelegd op de vordering tot levering van dezelfde onroerende zaak (art. 478)12, dan wel tussen de eerste beslaglegger en een hypotheekhouder of andere beperkt gerechtigde - zal overeenkomstig de art. 551a e.v. een rangregeling geopend moeten worden, in het kader waarvan uiteindelijk de rechter de verdeling van de opbrengst definitief zal vaststellen (zie daarover § 73.7).