Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.6.1.3:5.6.1.3 Prijslenen - Cover pricing
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.6.1.3
5.6.1.3 Prijslenen - Cover pricing
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183460:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uitspraak CBb van 12 oktober 2017, nr. 16/3, 16/4, 16/5, ECLI:NL:CBB:2017:325.
Rb. Rotterdam 26 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8610, ro. 15.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere manier waarop verzekeraars hun marktgedrag op elkaar zouden kunnen afstemmen, is door middel van prijslenen, ‘cover pricing’ genoemd. Daarbij wordt concurrentiegevoelige informatie onderling uitgewisseld met als doel om het marktgedrag op elkaar af te stemmen. Prijslenen vindt plaats doordat een onderneming (heimelijk) van een concurrent te horen krijgt voor welk bedrag deze heeft ingeschreven en vervolgens wordt die prijs geleend met als doel om een offerte in te dienen zonder dat daarmee wordt gewonnen.
Illustratief is de uitspraak van 12 oktober 2017 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College).1 De ACM gaf in die zaak een aantal ondernemingen die actief is op het gebied van sloopwerkzaamheden een boete omdat zij ten aanzien van de aanbesteding van verscheidene sloopprojecten concurrentiegevoelige informatie hadden uitgewisseld en hun inschrijfprijzen onderling hadden afgestemd. Ik gebruik deze uitspraak om te schetsen welke risico’s zich kunnen voordoen bij een aanbestedingsprocedure.
De Rechtbank Rotterdam was in eerste aanleg van oordeel dat prijslenen te zien is als een onderling afgestemde feitelijke gedraging en naar zijn aard schadelijk voor het concurrentieproces bij de mededinging en daarom de strekking had de mededinging te beperken als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet.2 Het College stelt zich in beroep eveneens op het standpunt dat prijslenen een gedraging is die naar haar aard schadelijk kan worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging:
‘5.3.9 In het geval van prijslenen onttrekt de prijslenende onderneming zich op oneigenlijke wijze aan de hiervoor beschreven marktrisico’s en is van zelfstandig marktgedrag niet langer sprake. Bij prijslenen wordt door de betrokken ondernemingen informatie uitgewisseld en onderling gedrag afgestemd ten aanzien van de te hanteren inschrijfprijs en het voorgenomen inschrijfgedrag. De prijslenende onderneming dient immers een offerte in die is gebaseerd op informatie verstrekt door een andere onderneming, in plaats van zelf haar inschrijfstrategie te bepalen, terwijl de prijsgevende onderneming kennis verkrijgt over het voorgenomen inschrijfgedrag van de prijslenende onderneming waarover zij normaliter niet zou beschikken. Door prijslenen verschaffen ondernemingen zichzelf een oneigenlijk voordeel ten opzichte van andere ondernemingen (waaronder eventueel bespaarde calculatiekosten), hetgeen de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen frustreert en het concurrentieproces bij aanbestedingen aantast. Door deze informatie-uitwisseling en afstemming van marktgedrag wordt het proces van mededinging bij aanbestedingen aangetast. Door prijslenen ontstaat allereerst bij de opdrachtgever een onjuist beeld van het concurrentieveld bij de onderhavige aanbesteding, aangezien door de betrokken ondernemingen de schijn wordt gewekt dat de prijslenende onderneming een concurrerend bod indient terwijl haar offerte in werkelijkheid niet in vrije mededinging tot stand is gekomen. Door prijslenen wordt daarbij aan de opdrachtgever de kans ontnomen een andere onderneming uit te nodigen voor de aanbesteding, welke kans hij wel had gehad indien de prijslenende onderneming de uitnodiging om op de aanbesteding in te schrijven, had afgeslagen. Ook had de opdrachtgever hiermee rekening kunnen houden bij aanbestedingen voor toekomstige opdrachten, door bij andere ondernemingen, of een groter aantal ondernemingen, offertes op te vragen.
Bij prijslenen vindt dus onderlinge afstemming plaats tussen de inschrijvers bij een biedproces. De prijslenende onderneming doet immers een inschrijving op basis van de informatie die is verstrekt door een andere onderneming en bepaalt daarmee niet zelfstandig haar marktgedrag. Een nadelig gevolg van prijslenen is dat het tot hogere prijzen kan leiden, zoals uit onderstaande overweging van de uitspraak blijkt:
‘5.3.10 Daarnaast kan prijslenen tot hogere prijzen leiden. De prijsgevende onderneming weet immers dat de prijslenende onderneming niet serieus naar de opdracht zal meedingen, en kan daarmee rekening houden bij het vaststellen van haar prijs. Dat deze kans op prijsopdrijving louter hypothetisch zou zijn, zoals [naam 4] en [naam 5] betogen, volgt het College niet.Met name bij aanbestedingen met een beperkt aantal inschrijvers kan prijslenen de prijsgevende onderneming de vereiste mate van zekerheid geven om met een hogere prijs in te schrijven dan zij onder normale marktomstandigheden zou hebben gedaan[curs. GTB].’
De vraag rijst of een parallel is te trekken met het biedproces bij coassurantie. Mij zijn geen situaties bekend waarin prijslenen bij aanbesteding met coassurantie aan de orde is geweest. De hierboven besproken uitspraak maakt niettemin duidelijk dat het uitwisselen van informatie tussen de gegadigde ondernemingen bij een bieding vanuit mededingingsrechtelijk perspectief niet zondermeer is toegestaan. Zeker als die informatie ziet op de ingediende of in te dienen offerte. Vanuit dat kader verdient het opmerking dat een makelaar geen informatie mag delen met verzekeraars over de inschrijvingen/offertes van hun concurrenten. Op die manier kan een makelaar zich schuldig maken aan onderling afgestemd marktgedrag, omdat hij andere verzekeraars in staat stelt hun inschrijfstrategie te bepalen op basis van informatie waarover zij normaliter niet zou beschikken. Een makelaar kan op die manier andere verzekeraars in het zadel helpen, maar maakt zich wel schuldig aan aantasting van de concurrentie bij het biedproces.