Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.3
4.4.3 Informatie- en vrijwaringsverplichtingen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931159:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in het kader van borgtocht art. 7:867 BW, op grond waarvan na het niet-melden van een betaling door de borg, de hoofdschuldenaar niet verplicht is de borg te betalen, maar ermee kan volstaan zijn vordering uit onverschuldigde betaling jegens de schuldeiser aan de borg te cederen.
Zie par. 4.3.4.
Zie hiervoor, nr. 160.
Zie hiervoor, nr. 162 en 163.
Zie hiervoor, nr. 124.
Van Boom 1999, p. 141-144; Van Boom 2016a, p. 120-124.
Van Boom 1999, p. 143-144; Van Boom 2016a, p. 123-124. Vgl. ook Jansen 2012/4.1.1 (p. 435 e.v.).
Zie hiervoor, nr. 146.
Van Boom 1999, p. 139-141; Van Boom 2016a, p. 126-127.
Van Boom 1999, p. 139-140; Van Boom 2016a, p. 126.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.4.2.2.3 en par. 4.4.2.3.3.
Van Boom 1999, p. 141, en Van Boom 2016a, p. 126-127.
Van Boom 1999, p. 139-141, en Van Boom 2016a, p. 126-127.
Van Boom 1999, p. 141, en Van Boom 2016a, p. 127.
Zie par. 4.4.2.1.
Zie Hoofdstuk 5, par. 5.3. Ook Van Boom onderkent het beperkte belang van de materieelrechtelijke verplichting tot vrijwaren, zie Van Boom 1999, p. 141, en Van Boom 2016a, p. 127.
Zie hiervoor, nr. 196.
196. Informatieverplichtingen. Uit het voorgaande blijkt dat hoofdelijk schuldenaren geregeld belang hebben bij informatie over voor hen (mogelijk) relevante rechtsfeiten. Zo heeft een hoofdelijk schuldenaar belang bij de informatie dat een andere schuldenaar de schuld reeds aan de schuldeiser heeft voldaan. Bij gebreke van die informatie betaalt hij mogelijk onverschuldigd aan de schuldeiser, in welk geval hij een verhaalsrisico loopt.1 Datzelfde doet zich – zij het in mindere mate – voor indien de schuldeiser jegens een schuldenaar afstand heeft gedaan in de zin van art. 6:14 BW, onder gebruikmaking van een 6:14-clausule.2 Een dergelijke clausule bevrijdt de overige schuldenaren immers voor zover de schikkende schuldenaar draagplichtig was (art. 6:14, tweede volzin BW). Voldoet een andere schuldenaar – niet wetende dat een dergelijke schikking heeft plaatsgevonden – niettemin de hele schuld, dan loopt hij eenzelfde verhaalsrisico voor zijn vordering uit onverschuldigde betaling. Ook informatie over de verjaring van rechtsvorderingen jegens de ene schuldenaar kan van belang zijn voor de overige schuldenaren (vgl. art. 6:11 lid 3 BW).
In een enkel geval voorziet de wet met zoveel woorden in een informatieverplichting, zoals voor de borg die presteert. Laat hij na hiervan mededeling te doen aan de hoofdschuldenaar, dan heeft dit consequenties indien de schuldeiser zich vervolgens tot de hoofdschuldenaar wendt (art. 7:867 BW). Ook daarbuiten kan de vraag spelen of een schuldenaar verplicht is zijn medeschuldenaren mededeling te doen van enig rechtsfeit dat (mogelijk) van belang is voor hun rechtspositie. Zo kan de schuldenaar die wil presteren er verstandig aan doen zijn medeschuldenaren hierover te informeren, indien hij niet wil riskeren bij het nemen van regres geconfronteerd te worden met het verweer dat de andere schuldenaar tot ontbinding is overgegaan.3 De schuldenaar jegens wie afstand is gedaan, doet er goed aan zijn medeschuldenaren te informeren van het voordeel dat zij hierdoor (mogelijk) genieten.4 Ook de schuldenaar wiens schuld door vermenging teniet is gegaan doet er verstandig aan zijn medeschuldenaren te informeren over het tenietgaan van zijn (en daarmee gedeeltelijk ook hun) schuld,5 omdat hij zo kan voorkomen dat de schuldeiser zich voor de oorspronkelijke schuld tot de resterende schuldenaren wendt, die vervolgens mogelijk op hem regres willen nemen.
De vraag is echter of de hoofdelijk schuldenaren telkens ook verplicht zijn hun medeschuldenaren te informeren,6 in die zin dat er rechtsgevolgen zijn verbonden aan het schenden van deze verplichting (zoals voor de borg, art. 7:867 BW). Mijns inziens is dit het geval indien zij met de gerechtvaardigde belangen van hun medeschuldenaren rekening moeten houden (art. 6:8 jo. 6:2 BW). Gaat het om rechtshandelingen waardoor de schuld met werking jegens de medeschuldenaren tenietgaat, zoals nakoming, verrekening en inbetalinggeving (art. 6:7 lid 2 BW), dan zou ik menen dat er een dergelijke verplichting kan bestaan. Met Van Boom meen ik dat daarvan in contractuele verhoudingen sneller sprake zal zijn dan in buitencontractuele verhoudingen,7 al was het maar omdat in buitencontractuele verhoudingen niet altijd duidelijk zal zijn wie tot de kring der hoofdelijk schuldenaren behoren. Ook in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid zou ik echter menen dat tussen de hoofdelijk schuldenaren informatieplichten kunnen bestaan, bijvoorbeeld tot het informeren dat de schuld reeds door nakoming teniet is gegaan. Ook voor andere rechtsfeiten die gevolgen hebben voor medeschuldenaren, zoals het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de schuld door afstand of vermenging, zou ik menen dat het belang van de overige schuldenaren om geïnformeerd te worden zwaarder weegt dan het belang van de desbetreffende schuldenaar om niet te informeren. Los van het delgen van de schuld staat het maken van proceskosten, die mogelijk op medeschuldenaren kunnen worden verhaald.8 Ook hier zou ik menen dat voor zover dit redelijkerwijs van de desbetreffende schuldenaar verlangd kan worden, hij zijn medeschuldenaren informeert over de te maken kosten. Kan dit niet, dan dient hij hen zo spoedig mogelijk achteraf te informeren dat hij die kosten heeft gemaakt.
197. Vrijwaringsplichten. Van Boom heeft zich een voorstander getoond van ‘vrijwaringsplichten’ tussen hoofdelijk schuldenaren.9 Daaronder verstaat hij een verplichting om mee te werken aan het door iedere draagplichtige schuldenaar gedeeltelijk nakomen van de hoofdelijke schuld, om zo te voorkómen dat tussen de hoofdelijk schuldenaren verhaalsvorderingen ontstaan en mogelijk kosten moeten worden gemaakt ter afdwinging daarvan.10 Het gaat dan om de situatie waarin er nog geen verhaalsvorderingen zijn ontstaan,11 maar waarin in zijn ogen wel reeds een materieelrechtelijke verplichting bestaat om te voorkomen dat de andere hoofdelijk schuldenaren zich hoeven te verhalen. Het gaat hem niet om een processuele verplichting, maar om een materieelrechtelijke grondslag voor verhaal op medeschuldenaren.12 Hij grondt een dergelijke plicht op art. 6:8 BW.13 Van Boom kent eraan geen ruime strekking toe, omdat hij een plicht slechts wil aannemen indien de schuldenaar zowel bekend is met de aansprakelijkheid van de andere schuldenaar of schuldenaren én met zijn eigen draagplicht.14 Het zal zich in mijn ogen zelden voordoen dat aan deze vereisten is voldaan, omdat zowel in buitencontractuele verhoudingen als in financieringsconstructies veel onduidelijkheid bestaat over het bepalen van de draagplicht.15 Zelfs als daarover wel duidelijkheid bestaat, zal de toegevoegde waarde van de door Van Boom aangenomen rechtsplicht overigens zeer gering zijn, omdat het nog niet bestaan van een verhaalsvordering naar Nederlands procesrecht geen obstakel vormt voor het veiligstellen van de verhaalsbelangen van hoofdelijk schuldenaren.16 Anders dan Van Boom zie ik dan ook geen grond voor een algemene verplichting tot vrijwaren. Wel heeft hij uiteraard gelijk dat een dergelijke plicht onder omstandigheden kan voortvloeien uit art. 6:8 jo. art. 6:2 lid 1 BW, of uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (art. 6:162 lid 2 BW).
198. Processuele bijstand. Indien een hoofdelijk schuldenaar in rechte is betrokken, terwijl er (mogelijk) ook andere schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, kan de vraag rijzen of de in rechte betrokken hoofdelijk schuldenaar recht heeft op processuele bijstand van de niet in rechte betrokken medeschuldenaren. Zo is denkbaar dat een niet in rechte betrokken (mogelijk) hoofdelijk schuldenaar over informatie beschikt die mogelijk van invloed is op de veroordeling van de in rechte betrokken hoofdelijk schuldenaar. Naar ik meen, bestaat geen algemene materieelrechtelijke verplichting tot het verlenen van processuele bijstand. Daaraan bestaat mijns inziens ook geen behoefte, omdat in mijn ogen geregeld sprake zal zijn van informatieplichten,17 en het Nederlandse procesrecht ook voorziet in instrumenten om de niet in rechte betrokken schuldenaren bij de procedure te betrekken. Die instrumenten staan centraal in par. 5.3.