Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.5
4.5 Een op maat gesneden verweermiddel
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378797:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie 4.3.1.
Ditzelfde geldt voor de door een schuldenaar persoonlijk te verrichten verbintenis om te geven, bijv. persoonlijke afgifte van een bepaalde zaak in een oorlogsgebied.
Müko/Busche 2005, § 635, nr. 35: 'Anders eits ist es auch im Hinblick auf die in den Gesetzmaterialen genannten Beispielfälle wohl zu eng, der Vorschrift nur höchstpersönliche Leistungen zu unterstellen; dagegen spricht auch der Vorschrift von § 275 Abs. 3, der von persönlichen und nicht von höchstpersönlichen Leistungen spricht.'
In wezen gaat het hier om een verfijning van de maatstaf van de 'morele onmogelijkheid'. Onder het oude Duitse recht werd deze situatie ook onder die noemer geschaard, zie Zimmermann 2005, p. 49. Van morele onmogelijkheid is sprake, indien de schuldenaar slechts kan nakomen met gevaar voor leven, eerbaarheid, of gezondheid, zie De Vries 1997a, p. 33.
BT-Drucks 14/6040, p. 130.
Zie bijv. BAG 22 december 1982, NJW 1983, p. 2782.
BAG 20 december 1984, NJW 1986, p. 85.
Schlechtriem & Schmidt-Kessel 2005, nr. 487, p. 234-235.
De Duitse wetgever heeft ervoor gekozen dit op de verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening toegesneden verweermiddel niet onder te brengen bij het algemene verweermiddel van de praktische onmogelijkheid van § 275 Abs. 2. In de eerste plaats vond de Duitse wetgever het afwegingscriterium van § 275 Abs. 2, dat bepaalt dat de schuldenaar pas is bevrijd van de verplichting om in natura na te komen, indien er sprake is van 'einem groben Missverhältnis', onvoldoende toegesneden op verbintenissen tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening. De laatste maatstaf bevat vooral financiële aspecten en de immateriële belangen van de schuldenaar komen hierin onvoldoende tot uitdrukking, zie BT-Drucks 14/6040, p. 130; Schuldrecht/Medicus 2002, hfdst. 3, nr. 47; en Fehre 2005, p. 56. In de tweede plaats heeft de belangenafweging, die de rechter in het kader van beide bepalingen uitvoert, een ander zwaartepunt. Bij de praktische onmogelijkheid van § 275 Abs. 2 is het vertrekpunt van de belangenafweging het belang van de schuldeiser bij nakoming, waartegen de belangen van de schuldenaar om niet na te komen dienen te worden afgewogen. § 275 Abs. 3 daarentegen neemt het belang van de schuldenaar als ankerpunt, zie Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 70 en Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 82. Zie par. 6.3 over § 275 Abs. 2.
Schlechtriem & Schmidt-Kessel 2005, nr. 487, p. 234-235.
Het lijkt mij niet goed mogelijk hiervoor een scherpe norm te formuleren zoals ik wel doe in hfdst. 6 voor de relatieve onmogelijkheid (130%-richtlijn), vgl. Kimel 2005, p. 96-97: 'Excessive' is a normative term, and judging an action to amount to excessive interference with a person's freedom can only be evaluative, not a factual,
In de vorige paragrafen heb ik de opvatting verdedigd dat de schuldenaar van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke en niet-hoogstpersoonlijke dienstverlening in beginsel tot nakoming moet kunnen worden veroordeeld. Een schuldenaar zou niet aan een veroordeling tot nakoming mogen ontkomen door te verwijzen naar de 'aard der verplichting' (art. 3:296).1 De aard van de verbintenis als zodanig verzet zich namelijk niet tegen een veroordeling tot nakoming. Dit betekent echter niet dat de ogen gesloten moeten worden voor de omstandigheid dat nakoming van een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening voor de schuldenaar bijzonder nadelig kan treffen. Indien externe, na de contractsluiting opgetreden omstandigheden nakoming bijzonder nadelig maken, dient de schuldenaar zich met succes tegen een vordering van nakoming te kunnen verweren. Om te beoordelen of het nadeel van de schuldenaar bij nakoming van de verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening opweegt tegen het voordeel van de schuldeiser bij nakoming moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het is dus niet de verwijzing naar de aard van de verbintenis, maar een belangenafweging die de afwijzing van een vordering tot nakoming van een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening kan rechtvaardigen.
Hoe moet het verweermiddel er uitzien waarmee de schuldenaar van een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening zich tegen een vordering tot nakoming kan verzetten? Instructief op dit punt is het Duitse recht. § 275 Abs. 3 BGB verschaft de schuldenaar een bijzonder verweermiddel om zich te verweren tegen een vordering tot nakoming van een verbintenis tot persoonlijke dienstverlening.2 § 275 Abs. 3 BGB is zowel van toepassing op verbintenissen tot hoogstpersoonlijke als op verbintenissen tot niet-hoogstpersoonlijke dienstverlening.3 Een schuldenaar van een (hoogst)persoonlijke verbintenis kan zich met een beroep op § 275 Abs. 3 BGB tegen een vordering tot nakoming verweren, indien het belang van de schuldeiser bij nakoming niet opweegt tegen het belang van de schuldenaar om niet na te komen.4 § 275 Abs. 3 BGB luidt:
Der Schuldner karen die Leistung ferner verweigern, wenn er die Leistung persönlich zu erbringen hat und sie ihm unter Abwgung des seiner Leistung entgegenstehenden Hindernisses mit dem Leistungsinteresse des Gaubigers nicht zugemutet werden kamt.
Een zangeres kan zich bijvoorbeeld met een beroep op § 275 Abs. 3 BGB onttrekken aan haar verplichting om op te treden, omdat haar kind op sterven ligt.5Ook in de arbeidsrechtelijke sfeer waar de werknemer zijn verplichting tot het verrichten van arbeid in beginsel in personam dient te verrichten, kan § 275 Abs. 3 BGB van toepassing zijn. Bijvoorbeeld, de werknemer die zijn werkplicht verzuimt, omdat hij gehoor geeft aan een oproep voor de dienstplicht in Turkije, waar op weigering mogelijk de doodstraf staat.6 De drukker die, als oud-dienstweigeraar en antifascist, weigert reclamemateriaal te drukken voor oorlogsverheerlijkende literatuur.7 De arts die op religieuze gronden weigert zijn medewerking aan het afbreken van een zwangerschap te verlenen.8 In het kader van § 275 Abs. 3 BGB vindt een belangenafweging plaats waarbij het belang van de schuldenaar bij niet-nakoming wordt afgewogen tegen het belang van de schuldeiser bij nakoming.9 Uiteindelijk draait het om de vraag welk partijbelang zwaarder weegt. De arts die zich op religieuze gronden verzet tegen het verrichten van abortus zal tot nakoming worden veroordeeld indien door zijn weigering een mensenleven op het spel komt te staan.10Anders dan in het Nederlandse recht is in het Duitse recht dus niet de aard van de verplichting bepalend, maar bepaalt de rechter aan de hand van een belangenafweging of hij de vordering tot nakoming van de schuldeiser toewijst.
Het Duitse recht op dit punt spreekt mij aan. De oplossing van de problematiek van de verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening dient mijns inziens niet te worden gezocht in een categorische uitzondering op het recht op nakoming (PECL en Unidroit Principles). Evenmin is het wenselijk dat een schuldenaar een veroordeling tot nakoming kan blokkeren door een weinigzeggende verwijzing naar de 'aard der verplichting' (art. 3:296 BW). Een op maat gesneden belangenafwegingsmechanisme doet recht aan de privaatautonomie van de schuldenaar, op grond waarvan de schuldeiser in beginsel nakoming in natura mag verwachten. Anderzijds biedt het voldoende mogelijkheid om de schuldenaar te behoeden voor een veroordeling tot nakoming, indien dit voor hem onevenredig nadelig zou zijn. Introductie in het Nederlandse recht van een met § 275 Abs. 3 vergelijkbare bepaling verdient dan ook aanbeveling.11