Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.0
8.4.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455363:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
J.E.A.M. van Dijck definieert de tegenprestatie bij verkrijging als alle uitgaven die ter zake van de verkrijging zijn gedaan, rekening houdend met alle veranderingen die uit hoofde van de contractuele verhouding in de oorspronkelijke prijs zijn aangebracht. J.E.A.M. van Dijck, De aan-merkelijk-belangregeüng. Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 138, Fed, Deventer, 1995.
HR 9 januari 1946, B.8016en HR 19 mei 1993, BNB 1993/231. Vgl. tevens de mededeling van de staatssecretaris van Financiën d.d. 22 februari 1995, nr. DB95/796M, V-N 1995, blz. 1025-1026.
Zie ook het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.9 en C.10) alsmede mijn commentaar hierop in mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 45-52, Kluwer, Deventer, 1998. Zie voorts W. Brink. Fiscale aspecten van bedrijfsopvolgingen vanaf 1 januari 1997, MBB juli/augustus, 1997, blz. 226 en G.T.K. Meussen, De fictief loonregeling in art. 12a Wet LB 1964, blz. 3340-3341, FED 1997/870.
Verslag Mondeling Overleg tevens Eindverslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 5380, nr. 33, blz. 28 lk. Bevestigd in HR 17 oktober 1984, BNB 1985/19.
Blijkens HR 24 januari 1990, BNB 1990/82 omvat de verkrijgingsprijs ook dat gedeelte van de overeengekomen tegenprestatie, dat door de verkrijger ten laste van de vennootschap is gebracht. Het schenkings- en successierecht vormen als persoonlijke belastingen geen component van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang. In deze zin voor wat het schenkingsrecht betreft T. Blokland, Cumulatie van belastingen. Belastingadviseursdag 1997, blz. 34-35, Fed, Deventer, 1997.
HR 16 maart 1960, BNB 1960/128, impliciet in HR 18 april 1982, BNB 1982/171 en HR 29 april 1987, BNB 1987/231. In dit laatste arrest is tevens beslist dat een terugbetaling van kapitaal dient te worden omgerekend tegen de koers ten tijde van de terugbetaling. Vgl. tevens T. Blokland, Over (ir)regulier voordeel bij deelneming en aanmerkelijk belang, WFR 1997/6265, blz. 1496-1497.
Anders H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.9.A, Gouda Quint, Deventer.
Zie tevens het in de memorie van toelichting opgenomen voorbeeld, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 55 alsmede de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 12-13.
De liforegel is nog wel blijven bestaan in situaties waarin onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime sprake is van een zgn. fictief aanmerkelijk belang ex art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB of art. 68aa Wet IB (zie hoofdstuk 9).
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 15-16.
HR 3 november 1976, BNB 1976/273. Vgl. tevens HR 2 september 1992, BNB 1992/334 en Hof Leeuwarden 1 oktober 1993, FED 1993/804.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 57. Zie tevens het nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 9. I.J.F.A. van Vijfeijken acht het evenwichtiger als in art. 20c, vijfde lid, Wet IB een tegenbewijsregeling zou worden opgenomen, I.J.F.A. van Vijfeijken. noot onder HR 22 januari 1997, BNB 1997/200.
Let wel, hiervan moet nadrukkelijk worden onderscheiden de overgangsregeling van art. 70c, eerste lid, Wet IB ingevolge welke bepaling de waarde in het economische verkeer van de aandelen, koopopties of winstbewijzen als verkrijgingsprijs in aanmerking wordt genomen als door de wetswijziging per 1 januari 1997 de aandelen, koopopties of winstbewijzen tot het aanmerkelijk belang zijn gaan behoren.
Ik verwijs verder naar hoofdstuk 4, onderdeel 4.6 voor mijn kritiek op de wijze waarop in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de afgrenzing met de bron 'inkomsten uit vermogen' gestalte heeft gekregen.
Mijns inziens is op deze plaats verzuimd tevens te verwijzen naar art. 68a Wet IB (juridische splitsing) en art. 68aa Wet IB (juridische fusie).
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761. nr. 3, blz. 58.
Nu beide bepalingen van art. 20c, vijfde lid, eerste volzin, slot, en derde volzin, Wet IB eenzelfde problematiek regelen had mijns inziens de wettekst eenduidiger kunnen worden geformuleerd. Beide (gedeelten van) volzinnen hadden ineen kunnen worden geschoven in één derde volzin die dan als volgt had kunnen luiden: 'Geen winst uit aanmerkelijk belang wordt in aanmerking genomen voor zover bij de vervreemding de overdrachtsprijs niet hoger is dan de overeenkomstig dit lid en de overige leden van dit artikel vastgestelde verkrijgingsprijs'. Het slot van de eerste volzin van art. 20c, vijfde lid, Wet IB had dan kunnen vervallen.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 57-58.
De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten (art. 20c, derde lid. Wet IB). Ook deze bepaling is ontleend aan art. 39, vierde lid, tweede volzin, (oud) Wet IB. Dit betekent dat het uitgangspunt voor de in aanmerking te nemen verkrijgingsprijs vormt de historische kostprijs van de aandelen.1 Informele kapitaalstortingen, verricht door de aandeelhouder na de verkrijging van de aandelen, verhogen zijn verkrijgingsprijs.2 Hieronder vallen met ingang van 1 januari 1997 ook de informele kapitaalstortingen in de kostensfeer, nu sedert genoemde datum op grond van art. 12a Wet LB en art. 24, vierde lid, Wet IB een gebruikelijk loon dan wel een gebruikelijke rente of huur in aanmerking wordt genomen bij de aanmerkelijkbelanghouder.3 Terugbetalingen van kapitaal daarentegen verlagen de verkrijgingsprijs met het bedrag van de onbelast gebleven kapitaalterug-gaaf (art. 20c, dertiende lid, Wet IB, zie onderdeel 8.4.1.3).4 In tegenstelling tot de oude aanmerkelijkbelangregeling leidt afstempeling op de aandelen met ingang van 1 januari 1997 tot een evenredige verlaging van de verkrijgingsprijs, aangezien het inkopen van aandelen, waaronder tevens de afstempeling moet worden begrepen, blijkens art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB niet langer als een regulier voordeel wordt beschouwd doch uitsluitend als een vervreemdingsvoordeel. Analoog aan HR 21 maart 1990, BNB 1990/135 moet worden aangenomen dat rente die wordt berekend wegens latere betaling van de koopsom uit de verkrijgingsprijs dient te worden geëlimineerd.5
Luidt de verkrijgingsprijs in een vreemde valuta, dan dient de valutakoers ten tijde van de verkrijging te worden aangehouden.6 Aangezien voor de overdrachtsprijs de valutakoers ten tijde van de vervreemding in aanmerking moet worden genomen (zie onderdeel 8.3), maakt het aldus tot uitdrukking komende valutakoersresultaat deel uit van de aanmerkelijkbelangwinst. Met een toe-resp. afname van de winstreserves van de vennootschap heeft dit weliswaar niets van doen doch, zoals ik hierboven heb aangegeven (onderdeel 8.2), past dit mijns inziens in de nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregeling.7
Was een aanmerkelijkbelangpakket tegen uiteenlopende prijzen opgebouwd, dan gold onder de oude aanmerkelijkbelangregeling steeds de historische verkrijgingsprijs van elk afzonderlijk aandeel; ook voor aandelen die op het moment van aankoop (nog) niet tot een aanmerkelijk belang behoorden. Dit betekende tevens dat de minimumwaarderingsregel van art. 39, vierde lid, (oud) Wet IB eveneens per aandeel afzonderlijk moest worden toegepast en niet per pakket. In vergelijking met dit tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime is op dit punt in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een belangrijke wijziging aangebracht. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is overgestapt van de historische verkrijgingsprijs van elk aandeel afzonderlijk (aandeeltheorie) op de gemiddelde verkrijgingsprijs (pakkettheorie). Ingevolge de tweede volzin van art. 20c, derde lid, Wet IB wordt in geval van aandelen of winstbewijzen van een zelfde soort met een verschillende verkrijgingsprijs, uitgegaan van de gemiddelde verkrijgingsprijs. Wel dient deze gemiddelde verkrijgingsprijs per soort aandeel te worden bepaald, zodat bij een aanmerkelijkbelangpakket dat bestaat uit verschillende soorten aandelen, bijvoorbeeld gewone aandelen en (cumulatief) preferente aandelen, of uit aandelen, winstbewijzen en koopopties, geen middeling van de diverse verkrijgingsprijzen plaatsvindt. Binnen hetzelfde soort vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld de aandelen sec en de winstbewijzen sec, dienen de diverse verkrijgingsprijzen wel te worden gemiddeld. Het spreekt voor zich dat de oorspronkelijke verkrijgingsprijzen moeten worden herleid tot eenzelfde nominale waarde als de nominale waarde van de verschillende aandelen onderling afwijkt.
De derde volzin van art. 20c, derde lid Wet IB bepaalt dat, ingeval bij een vervreemding is uitgegaan van een gemiddelde verkrijgingsprijs en bij die vervreemding niet alle aandelen of winstbewijzen van dezelfde soort zijn vervreemd, met betrekking tot de niet vervreemde aandelen of winstbewijzen wordt uitgegaan van een gemiddelde verkrijgingsprijs. Deze laatste volzin beoogt tegen te gaan dat, als slechts een gedeelte van de aanmerkelijkbelangaandelen of -winstbewijzen wordt vervreemd, voor de nog in bezit zijnde resterende aandelen weer zou moeten worden uitgegaan van de historische kostprijzen van deze aandelen; ook dan blijft de gemiddelde verkrijgingsprijs gelden.8 Worden daarna andere aandelen van dezelfde soort verworven tegen een afwijkende verkrijgingsprijs, dan dient opnieuw de gemiddelde verkrijgingsprijs van dezelfde soort aandelen te worden bepaald, waarbij voor de reeds in bezit zijnde aandelen wordt gerekend met de reeds vastgestelde gemiddelde verkrijgingsprijs. De overstap van de historische verkrijgingsprijs van elk aandeel afzonderlijk (aandeeltheorie) op een systeem van gemiddelde verkrijgingsprijzen is een belangrijke verbetering ten opzichte van het oude tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime. Deze wijziging betekent immers dat het niet langer noodzakelijk is om aanmerkelijkbelangpakketten die in de loop der tijd tegen verschillende verkrijgingsprijzen zijn aangeschaft, deze diverse verkrijgingsprijzen afzonderlijk te administreren en vast te stellen welke aandelen bij een eventuele vervreemding zijn vervreemd. De liforegel van art. 5 Uitv.besl. (oud) IB is hiermee dan ook in hoofdzaak overbodig geworden.9
Hierboven is in onderdeel 8.2 reeds ingegaan op de regeling van art. 20c, eerste lid, tweede volzin, Wet IB, welke regeling onder meer van toepassing is op de vervreemding van claimrechten. Vervreemdt de aanmerkelijkbelanghouder de claimrechten echter niet doch gebruikt hij ze zelf, met als gevolg dat zijn aanmerkelijk belang wordt uitgebreid, dan is de emissiekoers van invloed op de gemiddelde verkrijgingsprijs. Veelal zal als gevolg van de lagere uitgiftekoers van de op grond van de claimrechten verkregen aandelen de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel afnemen. Hetzelfde geldt als een aanmerkelijkbelanghouder gebruik maakt van de door hem gekochte claimrechten met dien verstande dat de kosten daarvan tot de verkrijgingsprijs van de aandelen behoren.10
De historische verkrijgingsprijs van de aandelen komt ook in aanmerking indien de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet vanaf het begin tot een aanmerkelijkbelangpakket hebben behoord, maar pas op een later tijdstip hiertoe zijn gaan behoren. Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling besliste de Hoge Raad in deze zin met een beroep op de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 39, derde lid, (oud) Wet IB.11 Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling bepaalt art. 20c, vijfde lid, Wet IB iets soortgelijks. Gaat een aandeel, winstbewijs of schuldvordering eerst op enig tijdstip na de verkrijging daarvan door de belastingplichtige tot een aanmerkelijk belang behoren, dan wordt de verkrijgingsprijs van dat aandeel, winstbewijs of schuldvordering ten hoogste gesteld op de waarde welke op dat tijdstip in het economische verkeer daaraan kan worden toegekend. Bedraagt de historische verkrijgingsprijs meer dan de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen op het moment dat de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, dan wordt maximaal de waarde in het economische verkeer in aanmerking genomen. Blijkens de memorie van toelichting is deze bepaling opgenomen om te voorkomen dat het aanmerkelijkbelangregime wordt opgezocht in situaties van een potentieel verlies op de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen.12 Bedraagt de historische kostprijs van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen daarentegen minder dan de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, dan geldt evenals onder de oude aanmerkelijkbelangregeling de historische kostprijs van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen. Er geldt dus ook onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nadrukkelijk geen stepupregeling op het moment dat wordt voldaan aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie.13 Met name in relatie tot de afrekeningsverplichting op het moment dat niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang ex art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB, acht ik deze bepaling onevenwichtig.14 Wel geldt ingevolge art. 20c, vijfde lid, eerste volzin, slot, Wet IB dat geen winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen voor zover bij de vervreemding de overdrachtsprijs niet hoger is dan de overeenkomstig de overige leden van art. 20c Wet IB vastgestelde verkrijgingsprijs. Dit betekent dat tot het bedrag van de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen geen winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen. Het vorenstaande geldt blijkens de tweede volzin van art. 20c, vijfde lid, Wet IB op dezelfde wijze voor aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die ingevolge art. 20d, Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, of een krachtens art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde15 tot een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang behoren en bij de aandeelhouder op enig moment weer kwalificeren als een ^'echt' aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a Wet IB.16 Ten slotte behoeft art. 20c, vijfde lid, Wet IB geen toepassing te vinden ingeval het aanmerkelijk belang ten opzichte van de oorspronkelijke verkrijgingsprijs met winst wordt verkocht. De laatste volzin van art. 20c, vijfde lid, Wet IB strekt daartoe.17 In de memorie van toelichting is het vorenstaande met het volgende voorbeeld toegelicht:18
Voorbeeld
Een belastingplichtige heeft tien aandelen (geen aanmerkelijk belang) met een totale verkrijgingsprijs van ƒ 100 000. Door de aankoop van twee aandelen met een verkrijgingsprijs van ƒ 1000 per aandeel (de waarde op dat moment) ontstaat een aanmerkelijk belang. Zijn totale verkrijgingsprijs wordt dus ƒ 102 000 (gemiddeld per aandeel ƒ 8500). Indien de belastingplichtige de twaalf aandelen direct aansluitend voor ƒ 12 000 zou verkopen, zou hij een negatief vervreemdingsvoordeel hebben van ƒ 12 000 min ƒ 102 000 ofwel ƒ 90 000. Dit is niet wenselijk, omdat het verlies uit aanmerkelijk belang is gecreëerd. Artikel 20c, vijfde lid, eerste volzin, voorkomt dat een verlies in aanmerking moet worden genomen door de verkrijgingsprijs te stellen op ƒ 12 000. Ingeval de twaalf aandelen later voor ƒ 60 000 worden verkocht, zou het echter niet juist zijn, indien ƒ48 000 (het verschil met de verlaagde verkrijgingsprijs van ƒ 12 000) zou worden belast. Het slot van de eerste volzin voorkomt dat. Ingeval de twaalf aandelen later voor ƒ 140 000 worden verkocht, behoeft artikel 20c, vijfde lid, uiteraard niet te worden toegepast. De slotzin zorgt daarvoor. In dat geval wordt belast ƒ 140 000 min ƒ 102 000, ofwel ƒ 38 000.