Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.2.3
7.2.3 Alle bewijsregels in strijd met spoedeisend karakter?
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS355911:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kroeks 2000.
HR 28 mei 1999, NJ 1999, 694.
Dit lijkt ook reeds de opvatting van de Staatscommissie bij de herziening van het nieuwe bewijsrecht in 1988. De commissie merkt in de memorie van toelichting bij haar voorontwerp op dat niet valt in te zien waarom de rechter, ook in oneigenlijke rechtspraak, niet steeds rekening zou moeten houden met principiële bepalingen als die van art. 176 lid 2 (thans art. 149 lid 2 Rv: feiten van algemene bekendheid hoeven geen bewijs), 178 (thans art. 151 Rv: dwingend bewijs), 179 (thans art. 152 Rv: alle middelen en vrije waardering), 183 (thans art. 156 Rv: akten),186 (thans art. 161 Rv: dwingend bewijs strafvonnis), 188 (thans art. 165 Rv: getuigplicht). Zie Rutgers, Flach & Boon 1988, p. 119.
Zie bijv. Loonstra & Zondag 2010, p. 450; Hengstmengel & Mahabiersing 2009, p. 234; Van der Meer 2006, p. 282.
Zie bijv. Ktr. Breda 5 augustus 2010, JAR 2010/220, r.o. 3.9; Ktr. Arnhem 25 juni 2008, JAR 2008/230; Ktr. Zutphen 21 juni 2001, JAR 2001/152, r.o. 3.1.
Alt 2009, p. 64-65; Snijders, Klaassen & G.J. Meijer 2007, p. 210; Bosse 2003, p. 12-13; I. Giesen 2001, p. 11.
Alt 2009, p. 64-65; Bosse 2003, p. 12-13.
Vgl. I. Giesen 2001, p. 11. Giesen noemt dit de bewijswaarderingsmaatstaf. Zie ook: Schuurmans 2005, p. 21.
Vgl. Schuurmans 2005, p. 306.
Bosse 2003, p. 26. Deze waarderingsvrijheid vloeit voort uit art. 152 lid 2 Rv en geldt mijns inziens ook onverkort in de ontbindingsprocedure.
Bosse 2003, p. 15.
Vgl. ook art. 13 Wet Algemene bepalingen en de artikelen 23, 24 en 25 Rv.
Asser 2004, p. 56.
Asser 2004, p. 42. Vgl. ook: Schuurmans 2005, p. 23.
Het feit dat een bepaalde partij gemakkelijker in staat is bewijs van bepaalde feiten te leveren, doet aan de snelheid van een ontbindingsprocedure niet af. Beide partijen hebben een vaste termijn voor de bewijsvoering. Blijkt vervolgens bij de bewijswaardering door de rechter dat een bepaald feit na de bewijsvoering niet is komen vast te staan, dan beslist de rechter op basis van de bewijsrisicoverdeling wie in dat geval de procedure verliest. Het rekening houden met welke partij het gemakkelijkst in staat is bewijs te leveren ziet derhalve vooral op de redelijkheid en billijkheid van de bewijslastverdeling, en niet op de benodigde tijd voor het leveren ervan. De redelijkheid en billijkheid kunnen ingevolge art. 150 Rv tot een andere verdeling van de bewijslast leiden.
In samenhang met het voorgaande acht ik het standpunt van verscheidene auteurs, voor zover inhoudend dat art. 150 Rv en in combinatie daarmee de bijzondere uit het Europees recht voortvloeiende regels van bewijslastverdeling in de gelijke behandelingswetgeving in de ontbindingsprocedure niet van toepassing zijn, ten minste betwistbaar. Zie voor dit standpunt o.a.: Castermans & Terlouw 2007, p. 205-208; Alt 2009, p. 239; Krans 2010, p. 68. Zie meer uitgebreid hierover: Bij de Vaate 2012b.
Zie o.a. HR 18 juni 2004, JAR 2004/168; Hof ’s-Gravenhage 3 november 2009, JIN 2010/242; Hof ’s-Gravenhage 21 oktober 2009, JAR 2010/15; Ktr. Haarlem 16 maart 2011, RAR 2011/83; Ktr. Amsterdam 16 april 2004, JAR 2004/121; Ktr. Middelburg 16 oktober 2003, JAR 2004/142. Alle voornoemde zaken brengen de uitsluiting van het wettelijk bewijsrecht, wanneer de aard van de ontbindingsprocedure zich daartegen verzet, slechts in verband met de regels over het getuigenverhoor en/of het deskundigenbericht.
Aannemelijk maken is voldoende in het kader van een ontbindingsprocedure. Zie bijv. Ktr. Breda 5 augustus 2010, JAR 2010/220, r.o. 3.9; Ktr. Arnhem 25 juni 2008, JAR 2008/230; Ktr. Zutphen 21 juni 2001, JAR 2001/152, r.o. 3.1.
Een vraag van andere orde is, indien wordt aangenomen dat er sprake is van een spoedeisende ontbindingsprocedure, of alle bewijsregels zich tegen toepassing verzetten.1 Mijns inziens is dat niet aannemelijk. Als namelijk alleen de spoedeisendheid van een ontbindingsprocedure in de weg kan staan aan toepassing van de wettelijke bewijsregels, dan is aannemelijk dat ook alleen die concrete bewijsrechtelijke voorschriften die daadwerkelijk invloed hebben op de snelheid van de procedure en daarmee aan een spoedige beslissing in de weg kunnen staan van overeenkomstige toepassing zijn uitgezonderd. Hoewel op grond van de formulering van art. 284 lid 1 Rv, 'De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet', betoogd kan worden dat wanneer de 'tenzijclausule' zich voordoet de gehele afdeling bewijsrecht niet van toepassing is, bevat de jurisprudentie een duidelijke aanwijzing voor het tegendeel. De Hoge Raad overwoog namelijk in zijn beschikking van mei 1999,2 dat de rechtsontwikkeling duidelijk gaat in de richting dat de bepalingen van bewijsrecht ook gelden in verzoekschriftprocedures, 'tenzij de aard van de desbetreffende verzoekschriftprocedure zich tegen toepasselijkheid van de betrokken bepaling verzet.’ Deze formulering van de tenzijregel maakt duidelijk dat wanneer deze uitzondering zich voordoet, dit niet automatisch meebrengt dat alle bewijsregels niet van toepassing zijn, maar slechts de 'betrokken bepaling'.3 Nu de Hoge Raad in voormelde beschikking uitdrukkelijk vermeldt dat de ontwikkeling van steeds verdergaande toepassing van het bewijsrecht in verzoekschriftprocedures aansluit bij art. 6 EVRM, is het niet aannemelijk dat de Hoge Raad of de wetgever met de invoering van art. 284 lid 1 Rv weer een 'stap' terug heeft willen doen in deze rechtsontwikkeling, door aan te nemen dat een spoedeisende ontbindingsprocedure zich tegen alle wettelijke bewijsregels verzet.
Gezien het voorgaande moet mijns inziens in iedere spoedeisende ontbindingsprocedure concreet bezien worden welke bepalingen van bewijsrecht wel buiten toepassing moeten blijven en welke niet. In het hiernavolgende probeer ik een onderscheid te maken tussen beide categorieën.
Bij de eerste categorie – bepalingen van bewijsrecht waartegen het spoedeisende karakter van een ontbindingsprocedure zich wel kan verzetten – kan men allereerst denken aan de regels die betrekking hebben op de bewijslevering. De spoedeisendheid van een ontbindingszaak kan aan uitvoerige bewijslevering in de weg staan. Hierbij moet voornamelijk gedacht worden aan bewijslevering door middel van getuigenverhoren en/of deskundigenberichten, gezien de tijdrovendheid daarvan in vergelijking met bijvoorbeeld het leveren van schriftelijk bewijs. Met deze beperkte mogelijkheid van bewijslevering hangt samen dat ook de 'normale' bewijslast niet kan gelden in een spoedeisende ontbindingsprocedure. Naar in de literatuur wordt aangenomen,4 en ook in de rechtspraak wordt erkend,5 geldt voor een partij in de ontbindingsprocedure dat zij haar stelling 'aannemelijk moet maken'. Dit aannemelijk maken wordt gezien als een lichtere vorm van bewijs.6 De rechter zal eerder concluderen tot het vaststaan van de feiten, dan in het geval deze feiten bewezen dienen te worden.7 Het betreft dus vooral een vorm van bewijswaardering. Het gaat om de mate van bewijs die in het kader van de bewijswaardering nodig is om te kunnen zeggen dat een bepaald feit bewezen is.8 Door hogere ('bewijzen') of juist lagere eisen ('aannemelijk maken') te stellen aan de waardering van het bewijsmateriaal, kan de rechter de bewijslast van een partij verzwaren of verlichten.9 Aldus kan de rechter door de waardering van het aanwezige bewijsmateriaal rekening houden met de bewijspositie van partijen.10
Tot de categorie bewijsregels die niet aan het spoedeisend karakter van een ontbindingsprocedure in de weg zullen staan en mijns inziens dus zonder meer door de kantonrechter behoren te worden toegepast, ook al is de ontbindingsprocedure spoedeisend, behoren allereerst de regels over bewijslastverdeling. De ratio van bewijslastverdeling is gelegen in het bewerkstelligen dat steeds, ook al is er geen duidelijkheid omtrent de feiten, een bindende vaststelling van de rechtstoestand tussen partijen tot stand komt.11 Ingevolge art. 26 Rv mag de rechter bij onduidelijkheid over de feiten partijen niet zonder beslissing naar huis sturen.12 De rechter moet de knoop doorhakken en de bewijslastverdeling voorkomt dat dit ter vrije discretie van de rechter staat.13 De kern van bewijslastverdeling is aldus het toedelen van het bewijsrisico aan één der partijen.14 Het gaat om de vraag welke partij het risico moet dragen van het al of niet vaststaan van de feiten. De regel die duidelijk maakt bij wie het bewijsrisico ligt, heeft geen invloed op de snelheid van de procedure, zodat deze regel ook in spoedeisende ontbindingsprocedures kan worden toegepast.15 Ook in een spoedeisende ontbindingsprocedure moet de kantonrechter, ook al is er onduidelijkheid over de feiten, de rechtsverhouding tussen partijen bindend vaststellen.16
Verder behoren mijns inziens eveneens andere algemene bepalingen van bewijsrecht, die niets van doen hebben met de bewijslevering en derhalve geen invloed hebben op de snelheid van de procedure, zonder meer toepassing te vinden in een spoedeisende ontbindingsprocedure. Gedacht kan worden aan de bepalingen opgenomen onder paragraaf 1 (art. 149-155 Rv) en 2 (art. 156-161 Rv) van afdeling 9, titel 2 Rv. Daarin zijn onder andere de regels te vinden over dwingend bewijs, vrije bewijswaardering, de gerechtelijke erkentenis en akten, alsook bijvoorbeeld de bepaling dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen en de bepaling dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijeengebracht, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen.
De jurisprudentie bevat ook aanknopingspunten voor de in het voorgaande aangebrachte tweedeling. Het spoedeisende karakter van de ontbindingsprocedure dat zich tegen toepassing van het wettelijk bewijsrecht kan verzetten wordt, voor zover ik heb kunnen nagaan, alleen in verband gebracht met de regels over bewijslevering17 en daarmee verband houdend, de bewijswaarderingsmaatstaf.18