Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.5.2:14.5.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.5.2
14.5.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451610:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De organisatie- en inrichtingsvrijheid zoals die geldt voor kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen op basis van artikel 2:2 BW en artikel 9 jo. artikel 11 EVRM is een voortvloeisel van enerzijds liberaal en anderzijds communautaristisch gedachtegoed. Het liberale beginsel van scheiding tussen kerk en staat kan men zien als wegbereider voor het principe dat kerkgenootschappen een bepaalde autonomie toekomt om zaken ten aanzien van geloof en de uitoefening daarvan te organiseren en in te richten. Na de Grondwet van 1848 bemoeide de staat zich in veel mindere mate met de organisatie en inrichting van de kerkelijke gezindten in Nederland dan voorheen. Vervolgens ontpopte er zich een strijd over de vraag wat de competentie is van de staat en wat die van de kerk. De Wet op de kerkgenootschappen trachtte deze vraag te beantwoorden. Hoewel deze wet kan worden gezien als juist een beknotting van de vrijheid van kerkgenootschappen was het ook de eerste wet waarin principieel werd vastgelegd dat de kerk op haar terrein van geloof en de uitoefening daarvan vrijheid geniet, waaronder de vrijheid om haar begrip van godsdienst te definiëren. In de tijden die volgden is men er vervolgens altijd van uit gegaan dat het kerkgenootschap een bijzondere rechtsfiguur is omdat het zich richt op godsdienst. Deze bijzonderheid is gedurende de geschiedenis aangevoerd als legitimatie waarom de kerk een bepaalde autonomie zou moeten hebben. Opmerkelijk is dat deze legitimatie nooit sterk is aangevochten, ook niet ten tijde van de parlementaire behandeling van het huidige artikel 2:2 BW. Kennelijk was het in die tijden vanzelfsprekend dat een beroep op godsgeloof een bijzondere positie voor de kerk als organisatie rechtvaardigde, die zich uitte in een grote mate van zelfregulering.
Soms gaat de rechter zijn beoordeling van het geschil voorbij aan het statuut. Het gevolg is dan dat uitingen en gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als onderdeel van de inrichtingsvrijheid wat met zich brengt dat het verband tussen de betreffende uiting en gedraging en de godsdienst van het kerkgenootschap of de instelling niet wordt erkend. Waarom de rechter in deze gevallen voorbij gaat aan het statuut is enigszins onduidelijk. Mogelijk dat hij in die gevallen vindt dat de civielrechtelijke normen meer bescherming verlenen aan de ‘zwakkere’ partij.