Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.1
5.1 Inleiding
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950478:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat is met name het geval wanneer verzekeraars tot dezelfde groep van ondernemingen behoren. In hoofdstuk 6.10 heb ik de resultaten van empirisch onderzoek naar de aantallen juridische fusies en juridische splitsingen opgenomen.
Art. 2:309 BW definieert fusie als de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt. Op grond van art. 2:310 lid 1 BW kunnen rechtspersonen alleen fuseren met rechtspersonen die dezelfde rechtsvorm hebben. Volgens art. 3:20 Wft heeft een verzekeraar met zetel in Nederland de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij of Europese vennootschap. Een verzekeraar die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap kan dus juridisch fuseren met een andere verzekeraar die de rechtsvorm van een naamloze vennootschap heeft. Een onderlinge waarborgmaatschappij kan juridisch fuseren met een andere onderlinge waarborgmaatschappij. Op grond van art. 2:310 lid 4 BW kan een verkrijgende onderlinge waarborgmaatschappij ook fuseren met een verzekeraar die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en waarvan zij alle aandelen houdt. Art. 2:310 lid 4 BW maakt het ook mogelijk dat een verzekeraar die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap juridisch fuseert met een onderlinge waarborgmaatschappij waarvan zij het enige lid is.
Voor de fusie van verzekeraars wordt vaak1 gebruik gemaakt van de juridische fusie als bedoeld in art. 2:309 BW.2 Het vermogen van de ene verzekeraar gaat dan onder algemene titel over naar de andere verzekeraar. Ook wordt soms gebruik gemaakt van de juridische splitsing als bedoeld in art. 2:334a BW. Er moet dan zowel worden voldaan aan de vennootschapsrechtelijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de juridische fusie of juridische splitsing als aan de bepalingen met betrekking tot portefeuilleoverdracht in de Wft. Boek 2 BW is het onderdeel van het Burgerlijk Wetboek betreffende rechtspersonen. Een belangrijk gevolg hiervan is dat de polishouder bij juridische fusie en juridische splitsing dus zowel rechten heeft op grond van Boek 2 BW als op grond van de Wft.
In hoofdstuk 5.2 onderzoek ik eerst waarom ervoor is gekozen de bepalingen in de Wft over de overdracht van een verzekeringsportefeuille analoog van toepassing te verklaren op de overgang van een verzekeringsportefeuille onder algemene titel door juridische fusie of juridische splitsing.
In hoofdstuk 5.3 en 5.4 volgt dan een uiteenzetting over de procedure die volgens Boek 2 BW is vereist voor een juridische fusie en een juridische splitsing. Daarbij ga ik ook in op enkele voor verzekeraars specifieke aspecten van dit proces.
In hoofdstuk 5.5 ga ik in op de samenloop van de procedure van Boek 2 BW en de processtappen op grond van de Wft. Ik beschrijf daar gedetailleerd hoe dit “gecombineerde” proces eruit ziet en ga ook dieper in op enkele stappen op grond van Boek 2 BW en de Wft die op elkaar lijken.
In hoofdstuk 5.6, 5.7 en 5.8 ga ik vervolgens in op rechten die zijn opgenomen in de regeling van de juridische fusie en de juridische splitsing en de betekenis van die rechten voor polishouders. Zo ga ik in hoofdstuk 5.6 in op het verzetrecht dat in Boek 2 BW aan schuldeisers wordt toegekend in geval van een juridische fusie of juridische splitsing. In hoofdstuk 5.7 ga ik in op de toekenning van gelijkwaardige rechten op grond van art. 2:320 BW aan polishouders met een bijzonder recht jegens de verdwijnende verzekeraar. In hoofdstuk 5.8 ga ik in op hoofdelijke aansprakelijkheid van de bij een splitsing betrokken verzekeraars. Ik ga zowel in op de gevolgen van die hoofdelijke aansprakelijkheid voor polishouders als op de gevolgen voor het aantal juridische splitsingen dat in de praktijk plaatsvindt.
Ten slotte analyseer ik in hoofdstuk 5.9 wat de gevolgen zijn voor de juridische fusie of juridische splitsing indien de algemene vergadering of het bestuur van de verzekeraar daartoe zonder instemming van DNB zou besluiten over te gaan. De Optas/Aegon jurisprudentie, waarin de instemming van DNB met terugwerkende kracht werd herroepen, laat zien dat het antwoord op die vraag in de praktijk relevant kan zijn.