Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/7.4
7.4 Stemvrijheid
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949723:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD005506600 (Russian Conservative Party of Entrepreneurs and Others/Russia), par. 71.
Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 126 Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt 1 augustus 2019). De wetgever erkende dat ook omkoping een volmacht af te geven onder de omschrijving van art. 126 kon vallen. Immers, daarmee wordt een kiezer gedwongen zijn kiesrecht ‘op bepaalde wijze’, namelijk met behulp van een volmacht, uit te oefenen. Niettemin achtte de wetgever een expliciete grondslag voor het (zich laten) omkopen om een volmacht af te geven gewenst. Zie Kamerstukken II 1974/75, 13218, nr. 3, p. 17.
Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 127 Sr, aant. 2 (online, bijgewerkt 1 november 1998). Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 18 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2171, waarin een stembureaulid werd veroordeeld voor het frauderen met een stemcomputer.
Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 127, aant. 2 (online, bijgewerkt 1 november 1998).
Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 127, aant. 4 (online, bijgewerkt 1 november 1998). Volgens de auteur zou het artikel op die manier door zijn ‘wijde actieradius onhanteerbaar (…) worden, ook al omdat er in de verkiezingstijd zoveel wordt gelogen’.
Zie verder par. 14.2.
Kiezers moeten bij het uiteindelijke uitbrengen van hun stem niet aan enige ‘ongeoorloofde beïnvloeding’ worden onderworpen. De kiezer moet zelf kunnen bepalen op welke kandidaat hij zijn stem uitbrengt, of, simpeler gezegd, welk vakje op het stembiljet hij uiteindelijk rood kleurt. Opnieuw zij gewezen op de definitie van het vrije kiesrecht volgens het EHRM: de kiezer mag door niemand onder druk gezet worden om op een bepaalde kandidaat te stemmen.1 Zo wordt gewaarborgd dat de verkiezingsuitslag daadwerkelijk een afspiegeling is van de wil van het volk. Het moeten slechts de (in vrijheid) uitgebrachte stemmen zijn die de verkiezingsuitslag bepalen. De stemvrijheid omvat ook het stemgeheim, maar hoewel met elkaar verbonden, moeten deze begrippen toch duidelijk van elkaar onderscheiden worden. Het ronselen of kopen van stemmen, bijvoorbeeld, vormt niet zozeer een bedreiging van het stemgeheim, maar zet wel de vrijheid van de kiezer om zelf te bepalen op wie hij stemt onder druk. Het stemgeheim is dus weliswaar een belangrijke waarborg voor de stemvrijheid, maar beide begrippen zijn geen synoniemen van elkaar.
In het kader van deze stemvrijheid moet voorkomen worden dat derden handelingen verrichten die eraan in de weg staan dat de kiezer stemt op de kandidaat van zijn keuze. Dat spectrum van handelingen is breed, zo blijkt uit de verschillende (straf)bepalingen die de stemvrijheid moeten waarborgen. Artikel 125 Sr stelt strafbaar het ‘door geweld of bedreiging met geweld’ iemand opzettelijk verhinderen ‘zijn of eens anders kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen’. Daaronder wordt allereerst begrepen het iemand fysiek onmogelijk maken om aan de stemming deel te nemen. Ook schending van het stemgeheim en de kiezer beletten naar eigen inzicht te stemmen vallen onder de bepaling.2Artikel 126 Sr vervolgens heeft betrekking op het omkopen of het zich laten omkopen om ‘zijn of eens anders kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen’. Wanneer een kiezer zich bij overeenkomst verbindt tot het uitbrengen van zijn stem op een bepaalde kandidaat – al is dat dezelfde kandidaat waarop de kiezer zijn stem zonder te zijn omgekocht ook had uitgebracht – heeft deze de vrije beschikking over zijn stem verloren.3Artikel 125 en 126 Sr zijn ook van toepassing bij de uitoefening van ‘eens anders kiesrecht’ en hebben dus ook betrekking op de gevolmachtigde kiezer. Artikel 127 Sr stelt het plegen van ‘enige bedrieglijke handeling (…) waardoor een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt aangewezen’ strafbaar. De memorie van toelichting bij artikel 127 Sr geeft enkele voorbeelden van dergelijke ‘bedrieglijke’ handelingen, die steeds betrekking hebben op het uiteindelijk in te vullen stembiljet (zoals het aan een kiezer verstrekken van een nietig stembiljet).4 Aangenomen kan echter worden dat de werking van het artikel breder is en ook van toepassing kan zijn op situaties waarin de kiezer wordt gemanipuleerd op manieren die niet rechtstreeks, maar wel zijdelings betrekking hebben op het in te vullen stembiljet. Zo zou het handelen van een partij A (lijst 1), die kiezers van partij B (lijst 2) voorspiegelt dat zij op ‘Partij B, lijst 1’ moeten stemmen, waarschijnlijk ook onder de delictsomschrijving vallen.5 Het artikel is waarschijnlijk echter weer niet van toepassing op het verstrekken van onjuiste informatie over een bepaalde kandidaat of partij, bijvoorbeeld door het valse bericht te verspreiden dat een kandidaat is overleden. Op basis van de wetsgeschiedenis valt niet te concluderen dat de wetgever ook dergelijke handelingen, die geen betrekking hebben op het verkiezingsmateriaal, strafbaar wilde stellen.6 Tot slot bevat ook de Kieswet strafbepalingen die de stemvrijheid moeten waarborgen. Artikel Z 4 lid 1 en 3 stellen het omkopen of zich laten omkopen om een volmacht af te geven strafbaar. Het ronselen van onderhandse volmachten is strafbaar op grond van artikel Z 8 Kw.7