Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.5.1:14.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.5.1
14.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455207:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behalve de onbepaaldheid van het wezen van het kerkgenootschap is een ander opmerkelijke eigenschap van het kerkgenootschap dat het wordt geregeerd door zijn eigen statuut (artikel 2:2 BW). Ook ten aanzien van deze inrichtingsvrijheid geldt dat de omvang ervan onbepaald is. De reden hiervoor is dat de wetgever het op grond van de scheiding tussen kerk en staat niet juist achtte, wanneer hij de theologische bronnen zou interpreteren om zodoende de reikwijdte van het statuut af te bakenen. Het gevolg is dat de kerkelijke autonomie niet bepaald wordt door statelijk recht (privaatrecht, strafrecht) maar door het eigen kerkrecht dat voortvloeit uit het statuut. De inrichtingsvrijheid brengt met zich dat de omvang van de godsdienstvrijheid – de reikwijdte van het grondrechtsobject – en daarmee ook de juridische betekenis van godsdienst kan worden uitgebreid tot zaken die betrekking kunnen hebben op de structuur en inrichting van het kerkgenootschap. Dat wil zeggen dat de autonomie van kerkgenootschappen op grond van artikel 2:2 BW gelezen moet worden in het licht van artikel 6 Grondwet jo. artikel 9 EVRM. Gesteld kan worden dat de wetgever met de toekenning van de inrichtingsvrijheid aan kerkgenootschappen, deze kerkgenootschappen in zekere zin ruimte heeft gegeven voor zelfdefinitie. Met andere woorden, met de toekenning van inrichtingsvrijheid gaat de wetgever uit van een subjectiverende uitleg van de godsdienstoefening van kerkgenootschappen. Kerkgenootschappen hebben op basis van hun een statuut een zekere vrijheid om in het kader van de inrichting en organisatie zelf te bepalen wat telt als godsdienst. Binnen het kader van dit onderzoek betekent het bovenstaande een uitbreiding van de kwalificatieproblematiek. Immers, ook organisatorische en inrichtingsaspecten kunnen een religieus karakter hebben, zijn met andere woorden in sommige gevallen te begrijpen als religieuze uitingen en gedragingen.
In de literatuur is discussie geweest over het religieuze karakter van zelfstandige onderdelen. Zo bepleitte Oldenhuis begin jaren ‘80 van de vorige eeuw dat alleen instellingen als zelfstandige oordelen kunnen gelden die daadwerkelijk een religieus karakter hebben. Tegenwoordig is er consensus over de opvatting dat zelfstandige onderdelen niet op dezelfde wijze met godsdienst bezig hoeven te zijn als het kerkgenootschap. De rechtspraak wijst ook in deze richting, maar toch wordt in een enkel geval een andere benadering gevolgd. Zo oordeelde de CGB in 2002 in weerwil van het toepasselijke statuut, dat een pensioenfonds – vanwege het ontbreken van een religieus karakter – geen onderdeel uitmaakte van het RK-Kerkgenootschap.
Voor de uitleg van het begrip godsdienst naar aanleiding van de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen kunnen we in zijn algemeenheid stellen dat deze niet altijd op consistente en consequente wijze plaatsvindt. De wetgever heeft een subjectiverende uitleg beoogd door kerkgenootschappen een grote mate van autonomie te verlenen. In veel gevallen onderschrijft de rechter de bedoeling van de wetgever en hanteert hij een subjectiverende kwalificatiewijze. Hij bepaalt dan op basis van het statuut of een (arbeids-) verhouding, organisatorisch aspect, geschil, afspraak, het maken van onderscheid, etc. valt onder de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap en daarmee impliciet is terug te voeren op godsdienstige overwegingen. In enkele zaken gaat de rechter bij zijn beoordeling van het geschil voorbij aan het statuut. Het gevolg is dan dat uitingen en gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als onderdeel van de inrichtingsvrijheid wat met zich brengt dat het verband tussen de betreffende uiting en gedraging en de godsdienst van het kerkgenootschap of de instelling niet wordt erkend.