Verzekering verzekerd?
Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/7.4.3:7.4.3 Bijzondere machtiging
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/7.4.3
7.4.3 Bijzondere machtiging
Documentgegevens:
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS616297:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt bij Vie d’Or. De verzekeringsportefeuille is in het kader van de noodregeling op 1 augustus 1994 in gewijzigde vorm overgedragen aan Twenteleven N.V. Zie alinea 7 van het eerste faillissementsverslag van Vie d’Or.
Tulfer 2000, p. 34.
Art. 3:195 lid 1 Wft.
Zie hierover nader paragraaf 7.5.
Tulfer 2000, p. 35.
Rb Amsterdam 4 augustus 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3320.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om een overdracht in geval van een tekort in de waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen eenvoudiger te kunnen realiseren, is de bijzondere machtigingsmogelijkheid in art. 3:195 Wft opgenomen.1 De bijzondere machtiging vormt de kern van de bevoegdheden van de bewindvoerders in de noodregeling.2 De bijzondere machtiging tot het korten op de rechten van verzekerden wordt door de rechtbank aan bewindvoerders verstrekt op verzoek van de bewindvoerders zelf.3 Overigens kan deze machtiging ook tegelijkertijd met de machtiging ex art. 3:163 lid 1 Wft worden afgegeven. Het ligt niet voor de hand dat deze situatie zich voordoet. Het is immers DNB die de rechtbank verzoekt de noodregeling op grond van art. 3:163 lid 1 Wft uit te spreken, terwijl het verzoek om de bijzondere machtiging ex art. 3:195 lid 1 Wft zoals gezegd afkomstig is van de bewindvoerders. Bij het uitspreken van de noodregeling moeten deze bewindvoerders nog worden benoemd. Efficiënt is deze aanpak niet, omdat de rechtbank tweemaal moet worden benaderd: eenmaal voor het afgeven van de algemene machtiging en eenmaal voor het afgeven van de bijzondere machtiging. Toch vind ik het goed dat dit onderscheid is gemaakt door de wetgever. Het toepassen van de bijzondere machtigingsmogelijkheid heeft grote gevolgen voor verzekerden. De bewindvoerders zullen zich eerst een goed beeld moeten vormen van de financiële positie van de verzekeraar in kwestie, zodat zij kunnen nagaan of het echt nodig is om gebruik te maken van de bijzondere machtigingsmogelijkheid. Pas wanneer zij tot de conclusie komen dat het korten op de rechten van verzekerden onvermijdelijk is, zullen zij de rechtbank vragen om een bijzondere machtiging.
De bijzondere machtiging kan betrekking hebben op het wijzigen van de voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten op grond van art. 3:195 lid 1 sub a Wft of op het verkorten van de duur van de verzekeringsovereenkomst op grond van art. 3:195 lid 1 sub b Wft. Bij het wijzigen van de voorwaarden kan het bijvoorbeeld gaan om een verhoging van de verzekeringspremie of de wijziging van de verzekerde som. Voor het wijzigen van de voorwaarden van levensverzekeringen geldt een belangrijke beperking: op grond van art. 3:195 lid 7 Wft mogen deze wijzigingen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd. Dit betekent dat de premies van levensverzekeringen niet verhoogd mogen worden, maar dat er wel mag worden gekort op de verzekerde som. Een korting op de verzekerde som heeft - in tegenstelling tot het verhogen van de premie - namelijk geen invloed op de verplichtingen van verzekeringnemers.
Bij het wijzigen van de duur van de verzekeringsovereenkomst kan het bijvoorbeeld gaan om de situatie waarin de verzekeringsovereenkomst nog een looptijd heeft van 12 maanden en de duur ervan wordt verkort naar 6 maanden. Dit soort wijzigingen zijn veelal nadelig voor verzekerden, maar de rechtvaardiging ervoor is te vinden in het feit dat de gevolgen waarschijnlijk nog groter zouden zijn wanneer sanering niet mogelijk is. In zo’n geval moet er immers worden gegrepen naar het uiterste middel van liquidatie. Liquidatie leidt tot vereffening van de portefeuille, zodat de verzekeringnemer in dat geval helemaal geen verzekeringsovereenkomst meer heeft. Bovendien is het de vraag of de boedelopbrengsten van de failliete verzekeraar toereikend zijn om alle vorderingen van verzekerden te voldoen. Weliswaar hebben verzekerden een preferente positie4 in de rangorde van schuldeisers, maar dit wil niet zeggen dat er voldoende geld is om de vorderingen van alle verzekerden geheel te voldoen. De gevolgen van liquidatie van het verzekeringsbedrijf zullen in de meeste gevallen daarom groter zijn dan wanneer gebruik moet worden gemaakt van de bijzondere machtigingsmogelijkheid van art. 3:195 Wft.
De bewindvoerders voeren de bijzondere machtiging ex art. 3:195 lid 1 sub a Wft uit voordat de portefeuilleoverdracht wordt gerealiseerd. Hierdoor wordt de rechtsverhouding tussen de oorspronkelijke verzekeraar en de polishouders gewijzigd en niet de rechtsverhouding tussen de polishouders en de overnemende verzekeraar.5 Dat betekent dat eventuele discussies met betrekking tot het wijzigen van de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst moeten worden gevoerd met de oorspronkelijke verzekeraar en niet met de overnemende verzekeraar. Hierdoor zal het eenvoudiger zijn om een verzekeraar te vinden die bereid is de verzekeringsportefeuille over te nemen dan wanneer de bijzondere machtiging wordt toegepast nadat de portefeuille is overgedragen aan de overnemende verzekeraar. In dat geval loopt immers de overnemende verzekeraar de risico’s verbonden aan het wijzigen van de voorwaarden van de overgenomen verzekeringsovereenkomsten.
De bijzondere machtigingsmogelijkheid van art. 3:195 Wft kan niet alleen worden gebruikt bij sanering van de verzekeraar, maar ook bij liquidatie. In dat geval kan uitsluitend worden gevraagd om een machtiging tot verkorting van de duur van de verzekering en niet om een machtiging tot wijziging van de verzekering. Deze beperking ligt enigszins voor de hand: een gewijzigde verzekering moet alsnog afgewikkeld worden in het kader van de liquidatie van de verzekeringsportefeuille, terwijl een verzekering waarvan de duur wordt verkort buiten de afwikkeling van de verzekeringsportefeuille kan worden gehouden. De verzekeringsovereenkomst is dan immers eerder geëindigd. Van de mogelijkheid tot verkorting van de duur van de verzekering hebben de bewindvoerders in de noodregeling van Ineas gebruik gemaakt.6