Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.3.1
5.3.3.1 Complexiteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715379:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hol & Gribnau 1999, p. 181.
Nan 2011, p. 171.
Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 19. Voor het niet schrappen van artikel 10a van de Opiumwet voert de minister nog als extra argument aan dat voor die strafbepaling op grond van artikel 13 van de Opiumwet een vergaande extraterritoriale rechtsmacht geldt, terwijl voor artikel 46 Sr de algemene rechtsmachtregeling geldt (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 19). Dat verklaart echter niet waarom in artikel 13 van de Opiumwet geen verwijzing naar artikel 46 Sr in combinatie met een aantal Opiumwetdelicten kon worden opgenomen.
Keulen 2009a, p. 61.
In artikel 46 Sr is een opzetvereiste opgenomen ten aanzien van de voorbereidingshandelingen en daarnaast zijn informatiedragers (artikel 214 Sr spreekt in plaats daarvan over gegevens), ruimten en vervoersmiddelen als voorbereidingsmiddelen aangeduid. De voorbereidingshandelingen zijn niet volledig identiek, maar overlappen dermate veel dat er nauwelijks lucht tussen zit (bij artikel 46 Sr worden ook verwerven, invoeren, doorvoeren en uitvoeren genoemd, terwijl artikel 214 Sr in plaats daarvan over ontvangen en zich verschaffen spreekt).
Kamerstukken II 2021/22, 35991, nr. 3, p. 3. In vergelijkbare zin meent het openbaar ministerie dat de voorgestelde bepaling weinig toegevoegde waarde heeft, maar dat het wetsvoorstel volgens haar “voornamelijk een krachtig en ondubbelzinnig signaal [afgeeft] dat het bezitten en verspreiden van pedohandboeken uiterst verwerpelijk en strafwaardig [is]”(Kamerstukken II 2021/22, 35991, nr. 3, p. 8).
Gelet op de beperkte rol die wetteksten spelen in het dagelijks leven van mensen, is het niet erg verrassend dat ook aan wetssystematische duidelijkheid vanuit communitaristisch oogpunt veel minder belang hoeft te worden gehecht. De geschiedenis leert dat de door de liberale theorie gewenste universaliteit van het recht (zowel in plaats als in tijd) niet haalbaar is en dat het recht veranderlijk is.1 Wetssystematiek is vanuit dit perspectief geen doel op zichzelf en moet ook vooral niet in de weg staan aan de normatieve beoordeling van gedrag door de samenleving. Van theoretische strafbaarheid van allerlei ketens van voorfasedelicten zal de gemiddelde burger ook niet wakker liggen. Zolang de bedoeling van de wetgever voldoende duidelijk is, kan de rechter immers de reikwijdte van een bepaling altijd tot de juiste (voorzienbare) omvang beperken. Bovendien zal het OM er met zijn vervolgingsbeleid vermoedelijk voor zorgen dat dergelijke zaken de rechter niet eens bereiken.2 Zowel het OM als de rechter zullen daarbij – impliciet of expliciet – rekening houden met de geldende normen en waarden in de samenleving, die die voorzienbaarheid mede bepalen. Zolang dat gebeurt, hoeft ook niet voor een chilling effect te worden gevreesd.
Wel rijst de vraag of de keuze voor strafbaarstelling van bepaalde voorfasehandeling in zelfstandige delicten inderdaad berust op de hiervoor genoemde argumenten. Zo was de keuze voor de invoering van een algemeen voorbereidingsleerstuk voor de wetgever geen aanleiding om de op dat moment reeds zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen uit het Wetboek te schrappen. Dat zou volgens de wetgever onnodig en zelfs onwenselijk zijn, aangezien deze zelfstandige strafbaarstellingen nog als lex specialis zouden kunnen fungeren en het schuldverwijt daarin indringender en specifieker zou zijn weergegeven dan de algemene bepaling.3 Het is mijns inziens maar zeer de vraag of dat het geval is en of er niet eerder sprake is van doublures.4 Ter illustratie valt te wijzen op artikel 214 Sr, dat de voorbereiding van vervalsing van geld zelfstandig strafbaar stelt en met een maximumstraf van vier jaar gevangenisstraf bedreigt. Op het grondfeit (artikel 208 Sr) staat negen jaar gevangenisstraf, zodat toepassing van artikel 46 Sr een strafmaximum van vier en een half jaar op zou leveren. Ik vraag mij af of, en zo ja, waarom de minister meent dat de voorbereiding van geldvervalsing lichter moet worden bestraft dan de voorbereiding van andere strafbare feiten. Vooral nu de minister het heeft over een ‘indringender’ schuldverwijt, lijkt het er meer op dat de minister dit geval over het hoofd heeft gezien. Voor zover artikel 214 Sr al toegevoegde waarde heeft boven artikel 46 Sr, lijkt deze mij in ieder geval beperkt. De inhoudelijke vereisten voor strafbaarheid in artikel 214 Sr lijken zoveel op die in artikel 46 Sr dat ook daarin nauwelijks een relevant verschil is aan te wijzen.5 Eerder bekruipt mij het gevoel dat de minister weinig trek had in een uitgebreid systematisch onderzoek naar de toegevoegde waarde van zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen en dat hij daarom naar dit gelegenheidsargument heeft gegrepen.
Voor zelfstandige strafbaarstellingen van voorbereidingshandelingen die zijn ingevoerd ná de invoering van het algemene voorbereidingsleerstuk kan overigens wel een andere communitaristische rechtvaardiging bestaan. Voor deze delicten geldt namelijk dat de keuze voor een zelfstandige strafbaarstelling als zodanig een symbolisch effect kan hebben. De wetgever wekt de suggestie dat dat bijvoorbeeld beoogd werd met het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van voorbereiding van kindermisbruik als hij schrijft: “[van] een zelfstandige strafbaarstelling van het bevorderen en vergemakkelijken van seksueel kindermisbruik gaat het onmiskenbare signaal uit dat dit gedrag uiterst verwerpelijk en strafwaardig is.”6 Dat signaal had vermoedelijk niet dezelfde reikwijdte en intensiteit gehad als de strafbaarstelling achterwege was gebleven en de minister tijdens een debat had betoogd dat de gedraging reeds onder de bestaande strafbaarstelling van voorbereiding viel. Een nieuwe strafbaarstelling kan vermoedelijk op meer media-aandacht rekenen en wekt waarschijnlijk ook sterker de indruk dat de overheid actief ingrijpt dan een dergelijke, toch wat afhoudend overkomende, opmerking. Een dergelijke opmerking zal daarmee ook niet altijd recht doen aan de maatschappelijke onrust die mogelijk is ontstaan doordat de bestaande bepaling – om welke reden dan ook – niet het beoogde effect heeft gehad.