Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.1
5.3.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715376:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Heijder 1979, p. 140. Roxin merkt terecht op dat het verschil bij het legaliteitsbeginsel vooral duidelijk wordt bij het verbod op terugwerkende kracht (lex praevia), dat vanuit communitaristisch oogpunt eigenlijk niet goed te verdedigen is (Roxin 1997, p. 102-103).
Vgl. Heijder 1979, p. 141.
Claes 2004, p. 397-398. Zie daarover §5.3.1.5.
Claes 2004, p. 397.
Loth 1999, p. 214. In vergelijkbare zin constateert Pompe dat de rechtsstaat een hoogst idealistisch concept is, dat wellicht nooit daadwerkelijk kan worden bereikt (Pompe 1945, p. 49).
Loth 1999, p. 214-215.
Groenhuijsen 1987, p. 36. Ook Hol en Gribnau menen dat rechtszekerheid een problematische plek heeft in wat zij een ‘sociaal recht’ noemen (Hol & Gribnau 1999, p. 183). Onder bijvoorbeeld het nationaalsocialisme werd het legaliteitsbeginsel echter weliswaar gezien als een verouderd, individualistisch, liberaal idee dat in een ‘transpersonalistische’ samenleving, waarin het volk centraal staat, geen plaats heeft (Schreiber 1976, p. 191), maar het beginsel bleef toch gedeeltelijk overeind (Schreiber 1976, p. 193 en 196).
Fuller 1969, p. 63. Fuller noemt als uitzondering de binding van de wetgever aan de grondwet, maar de (Nederlandse) grondwet is natuurlijk wel door diezelfde wetgever te wijzigen.
Vgl. Claes 2004, p. 381-382 en 408; Van Klink 2001, p. 686; Rozemond 1999, p. 119; Roxin 1997, p. 102; Schreiber 1979, p. 192. Cruciaal daarbij is de mate van democratische legitimatie van het orgaan: hoe minder democratisch gelegitimeerd, des te meer moet het orgaan worden gebonden aan de democratisch aangenomen wet (Schünemann 1978, p. 11. Vgl. Ashworth 1991, p. 439). Vanuit dat oogpunt is het ook potentieel problematisch dat de democratische wetgever steeds meer gebonden wordt door internationale en supranationale regelgeving (Claes 2004, p. 408).
Mulder 1987, p. 409. Vgl. Groenhuijsen 2005, p. 792.
Afgezien van procedurele waarborgen is bescherming tegen ongelijke behandeling door de wetgever daarentegen, anders dan in de liberale benadering, afwezig.
Roxin 2006, p. 174.
Claes 2004, p. 386; Groenhuijsen 2002, p. 31; Roxin 1997, p. 102 en 126; Krey 1983, p. 12-13, 19 en 138; Schünemann 1978, p. 3 en 32. Overigens vinden sommige auteurs dat wel aanvaardbaar als de wetgever daar welbewust voor kiest (zie §5.3.1.5).
Timmerman 2018, p. 27-28; De Jong & Knigge 2003, p. 35.
Kamerstukken II 1900/01, 100, nr. 3, p. 22. Zie ook: Rutgers 1992, p. 58. De zogenoemde Novelle Cort van der Linden wordt uiteindelijk echter nooit in de Tweede Kamer behandeld, omdat de regering kort daarna de verkiezingen verliest en de nieuwe minister van justitie de voorstellen intrekt (Strijards 1986, p. 35-36).
Mulder 1987, p. 409.
Bayles 1987, p. 315; Mulder 1987, p. 412-413. Om van een dergelijke onderzoeksplicht te spreken, moet de burger overigens wel een aanleiding hebben om op onderzoek uit te gaan (Bayles 1987, p. 315).
Van Klink 2002, p. 13; Van Klink 1998, p. 62-63; Strijards 1988, p. 18. Nan betoogt dat strafwetgeving ook in het Nederlands moet worden opgesteld (Nan 2011, p. 160-161). De ratio achter deze regel is echter dat wetgeving in de tijd van Beccaria werd opgesteld in het Latijn; een taal die de gewone man niet machtig was. Ik betwijfel of de positie van bijvoorbeeld het Engels in de hedendaagse samenleving te vergelijken is met die van het Latijn destijds.
Timmerman 2018, p. 28; Claes 2004, p. 408; Roxin 1997, p. 102; Krey 1983, p. 3, 12, 15, 131 en 138. Zo is te begrijpen waarom Binding meent dat het legaliteitsbeginsel, bezien vanuit het oogpunt van machtenscheiding, tégen een verbod op terugwerkende kracht pleit (Schreiber 1976, p. 169). Als machtenscheiding primair draait om de binding van niet-democratische organen aan de wil van het volk, ligt het voor de hand dat recentere uitingen van de democratische wetgever prioriteit moeten hebben boven oudere. Een verbod op terugwerkende kracht is daarmee lastig te verenigen. Het is vervolgens ook niet verrassend dat Schreiber het standpunt van Binding bestrijdt met de stelling dat het legaliteitsbeginsel gaat om de inperking van de macht van de wetgever en de bescherming van de vrijheid van de burger (Schreiber 1976, p. 57-58). Dat is immers het doel waartoe – vanuit liberaal oogpunt – zowel het legaliteitsbeginsel als het idee van machtenscheiding in dienst staan.
Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2, p. 30 (Beleidsplan Zicht op wetgeving).
Dat wordt treffend geïllustreerd door Kristen, die over de grondslag van het legaliteitsbeginsel schrijft: “Een strafrecht dat is ingericht conform de vereisten die uit het legaliteitsbeginsel voortvloeien, stelt de overheid in staat een ordening in de samenleving te brengen die zij wenselijk oordeelt.” (Kristen 2011, p. 315). Kristen verwijst ter onderbouwing overigens naar Groenhuijsen 1987, p. 25, maar daar vind ik deze stelling niet terug.
Uit het voorgaande bleek dat vanuit de liberale interpretatie van het legaliteitsbeginsel, en dan vooral het lex certa-beginsel, nogal wat kan worden aangemerkt op de verschillende vormen van (on)duidelijkheid van voorfasedelicten. De vraag is of dat vanuit een communitaristische interpretatie van het legaliteitsbeginsel anders is. Vooropgesteld moet worden dat op het eerste gezicht het legaliteitsbeginsel in een communitaristisch strafrecht veel minder op zijn plaats lijkt dan in een liberaal strafrecht.1 Het legaliteitsbeginsel legt, zeker in zijn hiervoor geschetste vorm, immers behoorlijke beperkingen op aan de democratisch gelegitimeerde wetgever.2 Vooral het specificiteitsvereiste moet vanuit communitaristisch oogpunt worden afgewezen, nu daarmee eigenlijk een (liberale) politieke opvatting het beginsel in wordt geloodst. Wetgeving moet wellicht duidelijk zijn, maar hoeft niet per se een beperkte reikwijdte te hebben. Met vage, open normen kan de wetgever juist bewust een zekere dreiging uit laten gaan en zelfs de ondergeschiktheid en afhankelijkheid van haar onderdanen onderstrepen.3 Claes noemt dit de machtsrepresenterende functie van de strafbaarstelling.4 In het verlengde daarvan wordt terecht opgemerkt dat het liberale ideaal van ‘rule of law, not of men’ onhaalbaar is, omdat het uiteindelijk altijd mensen zijn die het recht maken en toepassen.5 Het is ook maar zeer de vraag hoe nastrevenswaardig dat ideaal is als de samenleving andere waarden, zoals doelmatigheid en (materiële) rechtvaardigheid, belangrijker gaat vinden dan rechtszekerheid.6
Toch bestaat er mijns inziens, anders dan bijvoorbeeld Groenhuijsen, Hol en Gribnau menen, geen principiële spanning tussen het lex certa-beginsel en een communitaristisch strafrecht.7 Ook in een communitaristisch strafrecht bestaat behoefte aan duidelijkheid. Er kunnen in een communitaristisch strafrecht weliswaar geen echte beperkingen worden aangebracht op de wil van de gemeenschap, maar dat wil niet zeggen dat de politie, het OM en de rechterlijke macht niet aan banden mogen of hoeven te worden gelegd.8 Sterker nog: het is juist van cruciaal belang dat deze niet-democratisch gelegitimeerde instanties zich bij de uitoefening van hun taken strikt houden aan de democratisch aangenomen wet.9 Daarvoor zullen die wetten voldoende duidelijk en ondubbelzinnig moeten zijn geformuleerd.10 Dat voorkomt ook dat de wet door de ene rechter of uitvoerende instantie anders wordt uitgelegd dan de andere en beschermt de burger tegen ongelijke behandeling door de uitvoerende en rechtsprekende macht.11 Als wetgeving onbedoeld vaagheden bevat en de rechter deze moet verhelpen, doet dat bovendien afbreuk aan de in §1.4.2 geschetste visie op machtenscheiding.12 Een bepaling mag in beginsel niet dermate vaag zijn dat het oordeel over de strafbaarheid in wezen aan de individuele rechter wordt overgelaten en zodoende strafwetgeving ontstaat die niet op democratische grondslag berust.13 Het lex certa-beginsel stelt zo vanuit communitaristisch oogpunt grenzen aan de interpretatieruimte en rechtsvormende taak van de rechter en brengt een vrij strikte scheiding aan tussen het creëren van nieuwe normen en het toepassen van die normen.14 Dat sluit aan op andere aspecten van het legaliteitsbeginsel, zoals het verbod van analogie (lex stricta) en de afschaffing van ongeschreven gewoonterecht (lex scripta) en was ook de reden dat de wetgever van 1900 kritisch was op de keuze van de wetgever van 1886 om de invulling van het pogingsleerstuk aan de rechter over te laten en voorstelde om het pogingsleerstuk nader wettelijk invulling te geven door, in lijn met de actuele opvattingen in de samenleving, expliciet voor een meer subjectieve pogingsleer te kiezen.15
Richting burgers vloeit de ratio achter het lex certa-beginsel in vergelijkbare zin voort uit wat Mulder het bevelskarakter van het strafrecht noemt. Mulder doelt daarmee op de eind 18e-eeuwse visie die inhield dat burgers zich strikt moeten conformeren aan strafrechtelijke gedragsregels en waarin een strafbaar feit in de kern een vorm van ongehoorzaamheid aan een bevel van de staat is.16 Dat past haast naadloos in de communitaristische visie op de verhouding tussen staat en burger (zie ook §1.4.2). Tegenover de verplichting van de wetgever om duidelijke wetten op te stellen, staat dan een verplichting van burgers om die wetten te (leren) kennen.17
Tot slot is nog van belang dat de (straf)wet ook een zekere symbolische of expressieve functie heeft en uitdrukking geeft aan maatschappelijke, morele verontwaardiging over de schending van bepaalde normen. Ook voor die expressieve functie is het van belang dat de wet niet in vaag, juridisch jargon, maar in begrijpelijke taal is geschreven.18 Het lex certa-beginsel kan dan per saldo worden begrepen als een manier om zowel individuele burgers als de uitvoerende en rechterlijke macht strikt aan de wet te binden.19 Voor beide groepen moet duidelijk zijn wat de wetgevende macht precies wil.20 In deze benadering staat het legaliteitsbeginsel dus niet in dienst van de vrijheid, maar in dienst van de democratie.21
5.3.1.1 Regel- en rechtenconceptie van legaliteit5.3.1.2 Normadressaat en maatschappelijke context5.3.1.3 Wisselwerking tussen wederrechtelijkheid en lex certa5.3.1.4 Wijzen van verduidelijking5.3.1.5 Opzettelijke onduidelijkheid