Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.5:5.6.5 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.5
5.6.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291558:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn mogen lidstaten de levering van een verbouwd gebouw aanmerken als de levering van een nieuw gebouw. Vanuit het oogpunt van de concurrentieneutraliteit is het naar mijn mening wenselijk dat vernieuwbouwde gebouwen weer als nieuwe gebouwen worden beschouwd, aangezien deze gebouwen soortgelijk zijn als nieuwe gebouwen. Dat lidstaten de vrijheid hebben om te bepalen of een vernieuwbouwd gebouw weer als een nieuw gebouw wordt aangemerkt, acht ik onwenselijk. Dat geldt ook voor de beoordelingsruimte die lidstaten hebben om te bepalen wanneer sprake is van vernieuwbouw, omdat de vernieuwbouwcriteria hierdoor van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen. In het licht van de interneutraliteit is het daarom een goede zaak dat het Hof van Justitie die vrijheid tot een minimum heeft beperkt door een ondergrens te stellen. Naar het oordeel van het Hof veronderstelt een verbouwing in de zin van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn op zijn minst dat het betrokken gebouw veranderingen van betekenis moet hebben ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen. In Nederland wordt een bestaand gebouw weer als nieuw aangemerkt indien door de verbouwing een gebouw is vervaardigd. De Hoge Raad acht hiervoor beslissend of sprake is van in wezen nieuwbouw. De Hoge Raad legt de ‘vernieuwbouwlat’ hoger dan de door het Hof van Justitie gestelde ondergrens, omdat hij vernieuwbouw niet op voorhand aanneemt indien het betrokken gebouw door een verbouwing veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen. Naar mijn mening is dit toegestaan. In het licht van de concurrentieneutraliteit acht ik het ook wenselijk om alleen bij de verbouwing die op één lijn te stellen is met nieuwbouw een nieuw gebouw aan te nemen. Die hogere ‘vernieuwbouwlat’ leidt weliswaar tot een groter risico op cumulatie van btw, maar dit risico is inherent aan het uitgangspunt dat de levering van oude gebouwen vrijgesteld is.