Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.1:5.6.1 Inleiding
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.1
5.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291472:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn mogen – het betreft een kan-bepaling – lidstaten de levering van een verbouwd gebouw aanmerken als de levering van een nieuw gebouw. Heeft een lidstaat van die mogelijkheid gebruikgemaakt, hetgeen in Nederland het geval is, dan is de levering van het vernieuw(bouw)de gebouw van rechtswege aan btw-heffing onderworpen. Dit laat zien dat deze mogelijkheid uitsluitend relevant is voor lidstaten waarin, conform het uitgangspunt van art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn, de levering van nieuwe gebouwen van rechtswege belast en de leveringen van oude gebouwen – behoudens de eventuele optie voor btw-heffing – vrijgesteld is. Voor lidstaten, zoals Duitsland en Luxemburg, die op grond van de overgangsregeling (ook) de levering van nieuwe gebouwen vrijstellen, heeft deze mogelijkheid derhalve geen betekenis.
Uit art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn en de richtlijnhistorie (zie paragraaf 5.2.3) volgt dat de lidstaten de criteria mogen bepalen waaraan een verbouwd oud gebouw moet voldoen wil het weer als een nieuw gebouw kunnen worden beschouwd. Dit laat onverlet dat op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn sprake moet zijn van vernieuwbouw door de verbouwing van een gebouw. De lidstaten hebben derhalve slechts de vrijheid om te bepalen wanneer een verbouwing als vernieuwbouw kwalificeert. De opbouw van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 5.6.2 wordt ingegaan op de uitleg van het begrip ‘verbouwing’. In deze paragraaf zal duidelijk worden dat het Hof van Justitie aan dit begrip een kwalitatieve inhoud heeft gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 5.6.3 op hoofdlijnen ingegaan op het onderscheid tussen kwantitatieve en kwalitatieve vernieuwbouwcriteria die lidstaten (kunnen) hanteren. In paragraaf 5.6.4 wordt ingezoomd op het Nederlandse vernieuwbouwcriterium op grond waarvan sprake moet zijn van vervaardiging en de richtlijnconformiteit daarvan.