Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.2.1:3.2.1 De onderdelen in de vóór 1987 geldende referte-eisen die zijn aangepast
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.2.1
3.2.1 De onderdelen in de vóór 1987 geldende referte-eisen die zijn aangepast
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258908:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 48-49.
Bij Wet van 14 december 1977 (Stb. 670), inzake het tegengaan van het oneigenlijk gebruik als gevolg van te ruime bepalingen was de duur van de WW-uitkering terzake van eenzelfde werkloosheidsgeval al gemaximeerd op 78 weken.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 3, 48-49.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 49, 59.
Kamerstukken II 1989/90, 21608, nr. 3, p. 14, 19.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit boek worden in het algemeen de werkloosheidsregelingen van vóór 1987 niet behandeld, maar in deze paragraaf ga ik in op een paar onderdelen van de referte-eisen van de vóór 1987 geldende WW om te illustreren waarom het kabinet bij de referte-eis van de WW 1987 bepaalde keuzes heeft gemaakt. Bij de parlementaire behandeling van de WW 1987 zijn bepaalde onderdelen van de referte-eisen van de voorheen geldende Werkloosheidswet niet overgenomen. Die onderdelen hadden namelijk ongewenste effecten voor de werklozen en het niet overnemen van die onderdelen toont aan hoe het kabinet anders ging denken over de invulling van de referte-eis. In de eerdere wet gold namelijk 1) een minimumgrens van 65 gewerkte dagen in 130 dagen, 2) een verband tussen de referte-eis en het gemiddeld aantal volgens een bepaald arbeidspatroon per week gewerkte dagen en 3) een bepaalde telling van de dagen.
Met de invoering van de WW 1987 is de minimumgrens van 65 gewerkte dagen niet overgenomen. Het kabinet wilde namelijk niet de vrijheid van werknemers om een bepaald arbeidspatroon te kiezen beperken; bij de oude regeling zouden bepaalde deeltijdwerkers buiten de boot vallen. Ook werden met deze minimumgrens deeltijdwerkers onderling ongelijk behandeld. Een werknemer die bijvoorbeeld 8 uur op 1 dag werkte kon niet aan de eis van 65 dagen in 130 dagen voldoen, maar een werknemer die de 8 uren over meerdere dagen verspreidde kon wel aan de referte-eis voldoen. Door het niet overnemen van de minimumgrens konden deeltijdwerkers een vrij arbeidspatroon kiezen en werden zij onderling gelijker behandeld ten opzichte van hun recht op WW.1 Het tweede onderdeel dat bij de invoering van de WW 1987 niet werd overgenomen was de eis dat een minimaal gemiddeld aantal dagen per week gewerkt moest worden, bijvoorbeeld minimaal vier dagen in de week. Het effect daarvan was dat als de werknemer een korte periode drie dagen ging werken, hij niet meer in aanmerking kwam voor een uitkering. Dit effect was volgens het kabinet niet beoogd en is daarom niet overgenomen in de WW 1987. Een werknemer die drie dagen per week werkt heeft immers ook een duurzame band met het arbeidsproces. Bovendien zou ook hier de vrijheid voor werknemers om een bepaald arbeidspatroon te kiezen worden beperkt.2
Het derde onderdeel dat niet overgenomen werd was de wijze waarop de gewerkte dagen werden geteld voor het vaststellen of voldaan werd aan de referte-eis. Het aantal gewerkte weken per WW-recht kon maar één keer worden meegeteld. Vóór de invoering van de WW 1987 telde bij de referte-eis iedere dag waarop feitelijk werd gewerkt mee, ongeacht de omvang van de arbeid op die dag en of in één of meerdere dienstbetrekkingen per dag of per week werd gewerkt. Er kon op die manier bij eenzelfde werkloosheidsgeval over een langere periode dan 2,5 jaar uitkering worden ontvangen. Een werknemer met twee dienstbetrekkingen naast elkaar kon bij voortdurende werkloosheid uit één van de dienstbetrekkingen in het tweede uitkeringsjaar voor een nieuw WW-recht in aanmerking komen. Met de ene dienstbetrekking voldeed de werknemer aan de referte-eis voor het recht op uitkering voor de werkloosheid uit de andere dienstbetrekking.3 Ook was het mogelijk dat een werknemer die vast in deeltijd werkte, maar voor een korte periode een andere deeltijdbaan had, bij werkloosheid uit die tijdelijke deeltijdbaan recht zou hebben op een uitkering vanwege de opgebouwde gewerkte weken bij zijn vaste deeltijdbaan.4 Voornoemde situaties zijn nooit de bedoeling geweest van het kabinet, maar waren het gevolg van een regeling die tot stand kwam in een tijd waarin het gebruikelijk was om voltijdarbeid te verrichten. Deeltijdbanen en andere variaties op arbeidspatronen waren toen nog niet (in grote mate) aan de orde.5 Het kabinet heeft daarom de referte-eis met de invoering van de WW 1987 aangepast door de referte-eis per (opvolgende) dienstbetrekking te laten gelden en gewerkte dagen alleen mee te tellen voor zover daarmee geen rekening is gehouden bij een eerder recht op uitkering.
Voor de situaties waarin er sprake was van een tijdelijke werkaanvaarding in de WW, gevolgd door werkloosheid, was er een herlevingsrecht van de uitkeringsduur in het leven geroepen. Dit betekent dat de oude resterende WW-rechten in het tweede werkloosheidsgeval opgemaakt kunnen worden indien er geen sprake is van een nieuw opgebouwd WW-recht.6 Voor seizoenswerkers was er in lid 4 van artikel 17 WW 1987 een regeling opgenomen waarbij een lagere referte-eis bij AMvB kon worden gesteld.7
Het niet overnemen van de besproken onderdelen van de referte-eis die bij de WW van vóór 1987 golden, maakt duidelijk dat het kabinet belang hechtte aan het behouden van de keuzevrijheid van arbeidspatronen die passen bij de persoonlijke wensen of voorkeuren van werknemers en werkgevers. Bij de WW 1987 is daarom een referte-eis ingevoerd waarbij in de 12 maanden voorafgaand de werkloosheid in 26 weken arbeid moest zijn verricht. Een week werd aangemerkt als gewerkte week in de zin van de referte-eis indien de werknemer ten minste op één dag had gewerkt. Het maakte daarbij niet uit hoeveel uren er op die dag was gewerkt.8
In 1994, zeven jaar na de invoering van de WW 1987, is een kleine verruimende aanpassing aan de referte-eis gedaan. De referteperiode in de WW 1987 was een jaar en kon worden verlengd met perioden waarin niet zou zijn gewerkt wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid of met perioden waarin niet-verzekeringsplichtige arbeid was verricht. Dit werkte in sommige situaties echter heel nadelig, omdat de verlenging van het refertejaar met bijvoorbeeld perioden van arbeidsongeschiktheid alleen mogelijk was als die arbeidsongeschiktheid binnen het oorspronkelijke refertejaar lag.9 Bij deze wijziging telden perioden van arbeidsongeschiktheid, ziekte of bepaalde perioden waarin niet verzekeringsplichtige werkzaamheden waren verricht niet meer mee als referteperiode. Vanaf de eerste dag van de werkloosheid mocht net zo lang teruggeteld worden tot een aantal van 52 weken was bereikt.10