De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/8.1:8.1 Huidige strafbaarstelling
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/8.1
8.1 Huidige strafbaarstelling
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS387432:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Centraal in dit boek staat de vraag of de Nederlandse strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting niet te ruim is gelet op de regulerende beginselen van het strafrecht, en ruim genoeg is gezien de eisen die internationale mensenrechten en internationale anti-mensenhandelregelgeving stellen aan de inhoud en reikwijdte van de strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting.
Arbeidsuitbuiting is in het Wetboek van Strafrecht niet als zelfstandig misdrijf gecriminaliseerd. Het wordt tegengegaan met de strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f Sr dat in hoofdstuk 3 is geanalyseerd. In dit artikel wordt zowel de handel in mensen als de ongeoorloofde exploitatie van mensen strafbaar gesteld. Uitbuiting is dus niet hetzelfde als mensenhandel, maar vormen van uitbuiting kunnen wel onder de huidige strafbaarstelling van mensenhandel worden geschaard.
Artikel 273f Sr formuleert negen verschillende vormen van mensenhandel. Deze vormen zijn onder te verdelen in vijf dadergroepen, te weten: de ‘handelaar’, de ‘exploitant’, de ‘handelaar in seksuele dienstverleners over de grens’, de ‘kinderhandelaar en kinderuitbater’ en de ‘profiteur’. Opvallend genoeg behelst artikel 273f Sr geen expliciet verbod op de uitbuiter. Wel dient bij de ‘handelaar’ sprake te zijn van het oogmerk van uitbuiting. En de ‘profiteur’ trekt opzettelijk voordeel van de uitbuiting van een ander. De term uitbuiting als zodanig is dus terug te vinden in de wettekst. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uitbuiting – ook al staat het niet letterlijk in de wet – een impliciet bestanddeel is van de strafbaarstelling tegen de ‘exploitant’ en de ‘handelaar in seksuele dienstverleners over de grens’.
Lid 2 van artikel 273f Sr vermeldt voorts dat uitbuiting tenminste betreft:
‘Uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten.’
Ook al geeft de wetgever hiermee slechts een omschrijving, en geen precieze definitie, het wordt op basis van deze wettekst wel duidelijk dat uitbuiting enerzijds bestaat uit slavernij, dienstbaarheid of gedwongen arbeid. Bij deze vorm van uitbuiting wordt de vrijheid van de uitgebuite persoon ingeperkt. Slavernij betreft daarbij de grootste schending van de vrijheid van het slachtoffer, gevolgd door dienstbaarheid en dwangarbeid. Anderzijds ziet het op overige vormen van uitbuiting. In de wetsgeschiedenis en jurisprudentie is deze laatste variant wat nader geëxpliciteerd. Het gaat bij de overige uitbuiting om een situatie waarbij op een oneerlijke manier profijt wordt getrokken (oneerlijk economisch gewin) van een ander door op een excessieve manier misbruik te maken van die ander waarbij die ander redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Bij deze variant speelt de mate van het oneerlijke profijt een uitdrukkelijke rol, terwijl het oneerlijk economisch gewin bij de vrijheidsbeperkende uitbuitingsvormen van minder belang is.
De Hoge Raad overweegt daarbij dat voor de beoordeling van uitbuiting in ieder geval betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De Nederlandse maatstaven dienen in dit kader als uitgangspunt te worden genomen.
De Nederlandse strafbaarstelling van mensenhandel betreft aldus zowel harmful exploitation als mutually advantageous exploitation (zie hoofdstuk 2). Bij harmful exploitation is sprake van dwang, misleiding of misbruik van onmacht van de uitgebuite persoon. Deze vorm van exploitatie brengt een schadelijk netto effect voor de uitgebuite persoon teweeg. Mutually advantageous exploitation daarentegen is zowel voor de uitbuiter als de uitgebuite persoon in het voordeel (wederzijds voordelig). Maar het betreft desondanks uitbuiting omdat de verdeling van de voordelen tussen de uitbuiter en de uitgebuite persoon oneerlijk is. Er is geen sprake van dwang, misleiding of misbruik van onmacht. De uitbuiter heeft geen directe rol gehad in het creëren van de omstandigheden waarin de uitgebuite persoon verkeert en heeft eveneens geen bijzondere verplichting om de situatie van de uitgebuite persoon te herstellen. De uitgebuite persoon is voorts geïnformeerd over zijn mogelijkheden en kan een rationele keuze maken (hij is niet onmachtig zoals een kind of een verstandelijk gehandicapt persoon). Maar de uitbuiter heeft niet zoveel voor de uitgebuite persoon gedaan als hij zou moeten doen. Er is sprake van misbruik van omstandigheden.
In de hoofdstukken 3 en 4 zijn twee kaders (de regulerende strafrechtbeginselen en de internationale mensenrechten en anti-mensenhandelregelgeving verplichtingen) uiteengezet waaraan het positieve recht in de hoofdstukken 5 en 6 is getoetst. Globaal gesteld speelt daarbij het internationale kader in op een voldoende ruime strafbaarstelling terwijl de strafrechtbeginselen juist aansturen op een voldoende beperkte criminalisering van gedrag. Cruciaal is aldus de vraag: wat is materieel gezien daadwerkelijk nodig om te kunnen voldoen aan internationale vereisten en komt dit óók nog tegemoet aan de regulerende beginselen van het strafrecht?
Op grond van artikel 4 EVRM en 8 IVBPR zijn staten verplicht strafbaarstellingen tegen slavernij, dienstbaarheid, dwangarbeid én mensenhandel op te stellen en een effectief preventief en repressief beleid tegen deze praktijken te voeren. Op grond van het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel zijn staten verplicht mensenhandel doeltreffend strafbaar te stellen. Bij de definitie van mensenhandel in het protocol en de richtlijn staat het oogmerk van uitbuiting centraal. Slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid worden daarbij als vorm van uitbuiting gezien. Bovendien wordt er in de praktijk vanuit gegaan dat met het oogmerk van uitbuiting tevens wordt gedoeld op de daadwerkelijke uitbuiting. Het mensenrechtelijke frame en de internationale anti-mensenhandelverdragen bepleiten aldus beide zowel een preventief (de handel vooraf) als repressief (de uitbuiting zelf) beleid tegen situaties van slavernij, dienstbaarheid, dwangarbeid en overige vormen van uitbuiting. De uitbuiting betreft zowel harmful exploitation als mutually advantageous exploitation.
Nederland heeft slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet expliciet strafbaar gesteld. Wel geldt een specifiek verbod op slavenhandel in artikel 274 Sr. Slavernij valt echter niet per definitie onder dit verbod. De mensenrechten in artikel 4 EVRM en 8 IVBPR en de positieve verplichtingen die hieruit voortvloeien hebben de wetgever niet aangezet tot verandering van de mensenhandelwetgeving. Nederland heeft wel op grond van het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel de strafbaarstelling veranderd. Aangezien de focus van het mensenrechtenkader en die van het anti-mensenhandelkader naar elkaar zijn toegegroeid, komt Nederland met de implementatie van anti-mensenhandelverdragen in artikel 273f sub 1 en 2 tevens tegemoet aan mensenrechtelijke verplichtingen. Indien echter blijkt dat situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet worden aangepakt op grond van artikel 273f Sr, bestaat de kans dat het EHRM een schending van artikel 4 EVRM aanwezig acht en alsnog specifieke strafbaarstelling vereist van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid.
Nederland komt zowel formeelrechtelijk als materieelrechtelijk tegemoet aan de verplichtingen van het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel. De bepalingen in sub 1 en 2 zijn bijna een kopie van de buitenlandse mensenhandelinstrumenten. Sub 1 stelt strafbaar de persoon die een ander werft met behulp van een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting. Onderdeel 2 stelt strafbaar de persoon die een minderjarige werft met het oogmerk van uitbuiting. Bij kinderhandel hoeft dus geen beïnvloedingsmiddel te worden aangetoond. De veronderstelling daarbij is dat volwassenen een mate van overwicht hebben op een kind, waardoor geen druk hoeft te worden uitgeoefend om een kind te kunnen uitbuiten. De afwezigheid van dwang, neemt evenwel niet weg dat in het geval het kind wordt uitgebuit – of het oogmerk daarop is gericht – wel degelijk sprake is van misbruik. En misbruik is een beïnvloedingsmiddel. Materieelrechtelijk gezien lijken de bepalingen dan ook weinig te verschillen. De beïnvloedingsmiddelen in sub 1 hebben een dermate ruim bereik dat ze onvermijdelijk zijn voor het bewijs van een ‘oogmerk van uitbuiting’. Uitbuiting betreft oneerlijk economisch gewin al dan niet in combinatie met onvrijheid van een ander. De ene component van uitbuiting, onvrijheid, kan alleen maar worden bereikt door dwang, bedreiging en misleiding. De andere component, oneerlijk economisch gewin, wordt bij afwezigheid van dwang alleen gekwalificeerd als uitbuiting als sprake is van misbruik. Inhoudelijk zou Nederland dan ook aan de antimensenhandel verplichting hebben voldaan als het had volstaan met sub 1. Tegelijkertijd benadrukken de verschillende subleden dat kinderhandel aan een minder zware bewijslast onderhevig is dan de volwassen mensenhandel. Bij de volwassen mensenhandel gaat het om excessief misbruik, terwijl de lat bij kinderhandel minder hoog ligt. De scheiding tussen de handel en uitbuiting in volwassenen en kinderen is dan toch zinvol.
De bepalingen gestoeld op de oude Nederlandse wetgeving, dat zijn de subleden 4, 5, 6, 7, 8 en 9 van artikel 273f Sr, zijn naar internationaal recht niet nodig en zouden kunnen worden verwijderd.
De strafbepaling in onderdeel 3 is op grond van de mensenrechten, het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel eveneens niet vereist. Nederland zou de wetsregel kunnen schrappen, dan dient het ofwel het Vrouwenhandel verdrag van 1933 op te zeggen ofwel dit verdrag hedendaags te interpreteren (alleen gericht op immorele gedragingen anno nu).
Een belangrijke constatering is aldus dat het complexe en uitgebreide artikel 273f Sr vereenvoudigd zou kunnen worden door de subleden 3 tot en met 9 te schrappen en enkel sub 1 (en eventueel 2) te handhaven. Alleen het eerste sublid is immers noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de internationale verplichtingen.
De vraag rijst vervolgens of sub 1 – de bepaling die materieelrechtelijk gezien nodig is op basis van internationale verdragen – óók in overeenstemming is met de regulerende beginselen van het strafrecht. De handelaar heeft een oogmerk van uitbuiting. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de handelsfase voorafgaand aan de uitbuiting, maar beslaat tevens de daadwerkelijke uitbuiting. De kernvraag betreft aldus: is het criminaliseren van uitbuiting in lijn met de strafrechtbeginselen? Dat is zeker het geval voor zover de uitbuiting gepaard gaat met een negatieve vrijheidsbeperking. Daar is sprake van bij harmful exploitation waarbij de uitbuiting samen gaat met dwang, bedreiging, misleiding of misbruik van onmacht. Maar uitbuiting hoeft niet verbonden te zijn met een negatieve vrijheidsbeperking. Het kan enkel oneerlijk economisch gewin inhouden waarbij ‘misbruik wordt gemaakt van omstandigheden’: de mutually advantageous exploitation. Dan is schade niet aan de orde, er is immers geen setback of interests. De strafbaarstelling van de ‘wederzijds voordelige uitbuiting’ is aldus strijdig met het schadebeginsel en in het verlengde daarvan ook met het proportionaliteitsbeginsel.
Tegelijkertijd is erkend dat het bewijs van dwang of misleiding niet altijd eenvoudig is. Soms bestaat overlap met een situatie van misbruik, en kan de misbruiksituatie (de kwetsbare of afhankelijke positie van het slachtoffer waar op een verwerpelijke manier gebruik van wordt gemaakt) makkelijker worden aangetoond. De vraag die dan speelt is of bewijsrechtelijke kwesties nopen tot verruiming van de strafbaarstelling. De achterliggende gedachte is dan, dat in de praktijk mogelijk wel degelijk schade is toegebracht, maar dat deze schade lastig is te bewijzen. Dat wil zeggen: in de werkelijkheid is sprake van dwang of bedreiging, maar dat kan juridisch niet worden hard gemaakt. Stel dat een werkgever een illegale vreemdeling dreigt hem aan te geven bij de autoriteiten als hij niet onder erbarmelijke omstandigheden voor de werkgever komt werken. De dreiging kan zijn geuit zonder dat getuigen aanwezig zijn. Als de werkgever voorts ontkent, is er onvoldoende bewijs. Een ruimere strafbaarstelling – waarin tevens misbruik is opgenomen – maakt het mogelijk om in die gevallen dan toch nog tot een bewezenverklaring en veroordeling te komen. Immers, de kwetsbare situatie van de vreemdeling en de erbarmelijke arbeidsomstandigheden kunnen wel worden aangetoond. Dan is het misbruik snel bewezen. Dit is niet in strijd met het enge schadebeginsel, het uitgangspunt blijft namelijk dat sprake is van schadelijk gedrag.
Verder kan het soms moeilijk zijn de dwang of misleiding van het misbruik te onderscheiden. Nuanceverschillen in de manier waarop een beïnvloedingsmiddel wordt ingezet, maken de scheidslijn soms dun. De vraag of sprake is van bedreiging of misbruik hangt bovendien af van het ‘normaal te verwachten gedrag’. En dit kan verschillend worden geïnterpreteerd. Dwang en misleiding zijn aldus niet steeds helder te onderscheiden van misbruik. De beïnvloedingsmiddelen kunnen in elkaar overlopen.
Voorgaande bevindingen leiden tot de conclusie dat de strafbaarstelling van uitbuiting ‘binnen een misbruiksituatie’ in beginsel niet aan te bevelen is vanuit het schadebeginsel. Maar gelet op bewijsrechtelijke kwesties en niet altijd goed van elkaar te onderscheiden beïnvloedingsmiddelen in tweede instantie toch verdedigbaar is. Bij een bewezenverklaring van uitbuiting door misbruik van omstandigheden dient de rechter er evenwel beducht voor te zijn dat de situatie mogelijk geen inbreuk op de vrijheid van het slachtoffer met zich brengt en dat het slachtoffer de ‘uitbuiting’ mogelijk niet als negatief ervaart. De rechter dient dan zorgvuldig te motiveren waarom de gedraging desalniettemin strafwaardig is.
Het zou gelet op bovenstaande nóg beter zijn als de strafbaarstelling beperkt zou zijn tot harmful exploitation, waarbij dwang, misleiding en misbruik van onmacht relatief eenvoudig bewezen kunnen worden. Bij de veronderstelde aanwezigheid van dwang, misleiding of misbruik van onmacht zou dan al een bewezenverklaring moeten kunnen volgen. Daadwerkelijke aanwezigheid hoeft niet te worden vastgesteld. Dit ondervangt bewijsproblemen. Het schrappen van de mutually advantageous exploitation voorkomt dat de reikwijdte van de strafbaarstelling uiteindelijk gedragingen criminaliseert die geen schade opleveren en waarbij het optreden met het strafrecht disproportioneel is. Mensenhandel (waaronder uitbuiting) is dan in de kern ook echt beperkt tot een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid. De verwijdering van de ‘wederzijds voordelige uitbuiting’ komt evenwel niet tegemoet aan de verplichtingen op basis van de internationale en Europese mensenrechten en anti-mensenhandelregelgeving. Indien de mutually advantageous exploitation onderdeel dient te blijven van de strafbaarstelling, verdient een zeer strikte invulling van deze uitbuitingsvorm de voorkeur.
Op basis van het subsidiariteitsbeginsel is de criminalisering van harmful exploitation eveneens te rechtvaardigen. Of het strafrecht de geëigende afdoeningsmodaliteit is bij de mutually advantageous exploitation valt te bediscussiëren. De inzet van het strafrecht boven het civiele recht is dan in ieder geval te verdedigen gelet op de positie van het slachtoffer. Een slachtoffer dat zichzelf laat uitbuiten – al is het vrijwillig – verkeert in een zwakke positie ten opzichte van zijn uitbuiter. Als dat niet zo zou zijn, zou hij zichzelf niet laten uitbuiten. ‘Wederzijds voordelige uitbuiting’ betreft niet de situatie waarin iemand vrijwilligerswerk verricht en aldus geen arbeidskosten betaald hoeven te worden voor het verrichte werk. Enkel economisch gewin is onvoldoende. De manier waarop de uitbuiting tot stand komt is eveneens van belang. Bij mutually advantageous exploitation is dat door misbruik te maken van de omstandigheden waarin de ander verkeert. Het misbruik markeert de zwakke positie van het slachtoffer. Die zwakke positie kan ervoor zorgen dat het slachtoffer geen civiele zaak aanspant (vanwege angst- of afhankelijkheidsgevoelens of wegens andere sociale of psychische omstandigheden). Proceskosten kunnen eveneens belemmerend werken. De vraag is of het bestuursrecht wel voldoende mogelijkheden geeft. Indien de internationale verdragen waarin fundamentele waarden tot uitdrukking worden gebracht als uitgangspunt worden genomen, dan is de inzet van het strafrecht te billijken. De uitbuiter handelt dan immers in strijd met fundamentele waarden en daartegen mag worden opgetreden met het strafrecht. Een administratieve procedure kan bovendien te weinig effectief zijn omdat uitbuiters zichzelf niet tot de orde zullen roepen en de diverse overheidsinstanties mogelijk niet tot dit signalement komen. En dat terwijl het belang van het bestrijden van uitbuiting door de maatschappij breed wordt gedragen. Het kan dan wenselijk zijn ingrijpender dwangmiddelen in te zetten teneinde uitbuiters toch te sanctioneren. Het strafrecht komt dan eveneens in aanmerking. Indien ervan uit wordt gegaan dat bestuursrechtelijke maatregelen wel degelijk effectief kunnen zijn en vanwege een gebrek aan schade, het strafrecht niet voor de hand ligt, is strafrecht boven het administratieve recht niet vanzelfsprekend.
Dan is er de afweging tussen het belang van het subsidiariteitsbeginsel ten opzichte van het schadebeginsel. Indien het slachtoffer wordt misbruikt, is volgens het enge schadebegrip in beginsel geen sprake van schade. Tegelijkertijd is de inzet van strafrecht gelet op de kwetsbare positie van het slachtoffer en het belang van het tegengaan van misbruik (bezien vanuit fundamentele waarden) volgens het subsidiariteitsbeginsel niet bezwaarlijk. Het maatschappelijk belang dat misbruik moet worden tegengegaan blijkt onder meer uit de vele anti-mensenhandel verdragen die zijn gesloten en allerhande parlementaire stukken. De assumptie is daarbij steeds dat door het misbruik het slachtoffer slechter af is, dan het zou moeten zijn. Tegelijkertijd kan die assumptie in twijfel worden getrokken. Is een slachtoffer dat zich vrijwillig laat misbruiken daadwerkelijk slechter af? Misschien dat het door tijdelijk onder miserabele omstandigheden te werken een betere toekomst kan bereiken. Dat brengt de discussie terug naar de vraag of een ruim of eng schadecriterium moet worden gehanteerd – en in het verlengde daarvan – of van een negatief of positief vrijheidsbeeld moet worden uitgegaan. In deze dissertatie is reeds geconcludeerd dat een negatief vrijheidsconcept het uitgangspunt is. Deze benadering past het beste bij de ultimum remedium-gedachte van de wetgever en de verwerping van een sterk moreel ingestoken strafrecht. Het type gedrag is daarbij eveneens van belang. De keerzijde van een ruime strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting is dat acceptabele werksituaties strafbaar worden gesteld die migratie en (internationale) samenwerking of de economische handel kunnen belemmeren. Het kwalificeren van een vrij tot stand gekomen overeenkomst als schade (en dus strafbaar) ‘omdat de persoon slechter af is dan hij zou moeten zijn gelet op zijn toekomstig welbevinden’ waarbij geen sprake is van een setback of interests kan beletten dat iemand aan het werk gaat, terwijl diegene het werk juist als een mogelijkheid ziet een beter bestaan op te bouwen. De bestrijding van dit ‘moreel verwerpelijk’ type gedrag binnen het strafrecht is dan onwenselijk. Dat laat onverlet dat binnen het privaatrecht of binnen het arbeidsrecht mogelijkheden zijn tegen oneerlijke overeenkomsten op te treden. De burger kan die keuze dan echter zelf maken in plaats van dat de overheid bepaalde overeenkomsten op voorhand verbiedt vanuit het strafrecht. Het enge schadebeginsel komt in beginsel aldus het meeste gewicht toe. Enkel de strafbaarstelling van uitbuiting onder dwang en misleiding zou dan de voorkeur verdienen. Er is echter óók geoordeeld dat het schrappen van misbruik en de beperking van de strafbaarstelling van uitbuiting tot situaties van dwang en misleiding mogelijk tot bewijsproblemen leidt. En voorts dat misbruik soms moeilijk is te onderscheiden van dwang en misleiding. Feitelijk aanwezige schade kan dan juridisch gezien niet worden hard gemaakt. Daarnaast zou de verwijdering in strijd zijn met internationale verplichtingen. Strafbaarstelling van misbruik valt gelet op deze bewijsproblematiek in combinatie met de positie van het slachtoffer, het subsidiariteitsbeginsel en de internationale verplichtingen, dan toch te rechtvaardigen, mits het streng wordt geïnterpreteerd.
Vanuit fundamentele rechten is de strafbepaling tegen de handelaar (die handelt voorafgaand aan de uitbuiting of die daadwerkelijk uitbuit) eveneens niet bezwaarlijk. De mogelijke inbreuk op artikel 8 EVRM is in het belang van de in lid 2 gestelde doelen. En de legitieme doelen die worden gediend lijken bij voorbaat niet in onevenredige verhouding te staan tot de inbreuk. De verboden leveren voorts geen inbreuk op de artikelen 9, 10 en 11 EVRM, en zijn niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie.
Het legaliteitsbeginsel, het daadstrafrechtbeginsel en het schuldbeginsel leveren verder ook geen problemen op. De burger is over het algemeen voldoende in staat om de strafbepalingen te overzien en kan zijn gedrag daarop afstemmen. De bepalingen gaan uit van daderschap en voldoen op wetgevingsniveau aan het schuldbeginsel.
Anders dan bij het schadebeginsel, is de strafbaarstelling van uitbuiting geheel verenigbaar met het wederrechtelijkheidsbeginsel. Uitbuiten duidt (verschillend van uitbaten) op het abnormaal benutten van arbeidskrachten. Het behelst oneerlijke profijttrekking van een ander en onderstreept het wederrechtelijke gedrag.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de delictsbepaling in sub 1 van artikel 273f Sr – die zowel de handel voorafgaand aan de uitbuiting als de uitbuiting zelf betreft – verenigbaar is met de beginselen van het strafrecht. Daarbij is de strafbaarstelling van (het oogmerk op of de uiteindelijke) harmful exploitation zonder problemen te rechtvaardigen. De criminalisering van (het oogmerk op of de uiteindelijke) mutually advantageous exploitation is in beginsel strijdig met het schadebeginsel, maar gelet op bewijsproblematiek in combinatie met de positie van het slachtoffer, het subsidiariteitsbeginsel, de fundamentele rechten, het legaliteitsbeginsel, het daadstrafrechtbeginsel, het schuldbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel en de internationale verplichtingen toch te verdedigen. Bij een bewezenverklaring van deze vorm van uitbuiting dient de rechter er evenwel alert op te zijn dat de situatie mogelijk geen inbreuk op de vrijheid van het slachtoffer met zich brengt en dat het slachtoffer de ‘uitbuiting’ mogelijk niet als negatief ervaart. De uitbuitende omstandigheden kunnen voor het slachtoffer een startpunt zijn om uiteindelijk een betere toekomst op te bouwen. De rechter dient dan extra zorgvuldig te motiveren waarom de gedraging strafwaardig is. Alleen bij excessen, bij ernstige vormen van misbruik, zou deze vorm van uitbuiting strafbaar mogen zijn.
De optie om de strafbepaling te beperken tot harmful exploitation, waarbij dwang, misleiding en misbruik van onmacht bij veronderstelde aanwezigheid bewezen kunnen worden, zou nog beter tegemoet komen aan de regulerende strafrechtbeginselen, maar is in strijd met internationale en Europese mensenrechten- en anti-mensenhandelregelgeving-verplichtingen.
Met het oog op het coherentiebeginsel kan het volgende worden opgemerkt ten aanzien van de gehele delictsomschrijving. Artikel 273f Sr formuleert negen verschillende varianten van mensenhandel. Het richt zich tot de handelaar, de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners, de kinderhandelaar en kinderuitbater, en de profiteur. De diverse dadergroepen krijgen evenwel allen dezelfde kwalificatie ‘mensenhandel’ terwijl de vereisten om aan die kwalificatie te voldoen sterk verschillen. Het zou consistenter zijn geweest om deze kwalificatie alleen te gebruiken bij sub 1: die ziet immers echt op de handelaar. De wetgever had er bovendien voor kunnen kiezen om enkel de uitbuiting als zelfstandig materieel misdrijf op te nemen en het verhandeltraject voorafgaand aan de uitbuiting door middel van ‘poging tot uitbuiting’ of ‘voorbereiding van uitbuiting’ strafbaar te stellen of mogelijk als medeplichtig aan uitbuiting.
Verder had de wetgever er voor kunnen kiezen om kinderhandel (onderdeel 2) en kinderuitbating (onderdeel 5) apart strafbaar te stellen of in ieder geval handel en uitbuiting dan wel uitbating van elkaar te scheiden.
Formeel hebben de onderdelen 3 en 4 een breed bereik. De jurisprudentiële toevoeging van uitbuiting als impliciet bestanddeel perkt de bepalingen in. Het is wenselijk dat de wetgever die beperking tevens in de wet opneemt. Bovendien blijft een verschil in ernst bestaan tussen de subleden 3 en 4. Het vierde onderdeel richt zich tot de uitbater en het derde onderdeel tot de vervoerder van seksuele dienstverleners die in een uitbuitingssituatie zitten. Sub 3 lijkt daardoor eerder op een vorm van medeplichtigheid aan uitbuiting, terwijl sub 4 de hoofddader aanpakt.
Hetzelfde geldt voor de profiteur van mensenhandel. Die is niet op gelijke voet te scharen met mensenhandelaren en uitbuiters. De kwalificatie ‘mensenhandel’ is bij deze dadergroep onevenredig zwaar en de maximale strafmaat evenzo. Daarnaast verschillen de diverse strafbaar gestelde gedragingen binnen de subleden 6 tot en met 9 aanmerkelijk. In sub 6 trekt de profiteur voordeel van uitbuiting, maar bij de subleden 7 tot en met 9 hoeft dat helemaal niet het geval te zijn. De wetgever heeft met de strafbepalingen tegen de profiteur te weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheden in het wettelijke stelsel. Er zijn andere delicten die de strafbare gedragingen beter benaderen en de algemene leerstukken medeplegen, medeplichtigheid, uitlokken en doen plegen worden onvoldoende benut.
Als laatste zijn in het huidige artikel doleuze en culpoze mensenhandel varianten opgenomen. Het had voor de hand gelegen de culpoze gedraging een andere kwalificatie en daaraan gekoppelde maximale strafmaat toe te kennen.