Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.2.1
4.2.1 Achtergrond en Brunners methode bij het opstellen van de deelregels
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589790:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.7.2.
Brunner 1981a, p. 212.
Brunner 1981a, p. 212.
Brunner 1981a, p. 213.
Brunner 1981a, p. 213.
Brunner 1981a, p. 213 t/m 216.
Zie § 2.7.2.
Te bedenken valt hierbij dat nadat Waterwingebied Leeuwarden was gewezen, bepaald niet dadelijk algemeen werd aanvaard dat de Hoge Raad was omgegaan. Rutten bleef in zijn gezaghebbende bewerkingen van de Asser-delen over het verbintenissenrecht nog geruime tijd volhouden dat de leer van de adequate veroorzaking de heersende leer was. Nog in 1975 schreef hij dat de Hoge Raad sinds 1927 ‘onafgebroken’ de leer van de adequate veroorzaking heeft toegepast en ook in de jongste arresten van de Hoge Raad die leer was toegepast (Asser/Rutten 4-III 1975, p. 95 e.v.; vgl. Asser/Rutten 4-I 1973, p. 204 e.v.). Ook Schut noemde in 1975 “voorbarig” de conclusie te trekken dat de Hoge Raad Kösters leer was gaan toepassen (Schut 1975, p. 817). Eerst in 1978 ging ook Rutten om en erkende hij dat de leer van de adequate veroorzaking “van zijn dominerende plaats is verdrongen” (Asser/Rutten 4-I 1978, p. 198 e.v.). Van Schellen 1979, p. 333 e.v. heeft hier terecht op gewezen. Waar in, naar het lijkt, het meest gezaghebbende Nederlandse handboek over het verbintenissenrecht in 1975 de leer van de adequate veroorzaking als heersend wordt aangewezen en daarin eerst in 1978 verandering komt, kan het niet verbazen dat Brunner bij de bestudering van de rechtspraak uit de periode 1970 tot 1980 in de verschillende uitspraken de waarschijnlijkheid of de voorzienbaarheid van de schade als relevant gegeven voor de toerekening van de schade aantreft. Temeer niet omdat de rechtspraktijk na ruim veertig jaar geheel ingesteld zal zijn geweest op de leer van de adequate veroorzaking.
Onder meer: art. 1283 en 1284 (oud) BW, 1407 (oud) BW, 740c en 740d (oud) WvK.
Brunner 1981a, p. 233.
Brunner 1981a, p. 234.
Brunner 1981a, p. 233.
Brunner 1981a, p. 234.
Brunner 1981a, p. 233.
Brunner 1981a, p. 234.
Brunner 1981a, p. 234.
186. Köster had vooral een fundament gelegd voor een systeem van toerekeningsregels. Afgezien van een heel voorzichtige aanzet tot het categoriseren van gevallen met bijbehorende algemene redelijkheidsregels, had hij die toerekeningsregels zelf niet gegeven.1 Brunner onderschreef de opvatting van Köster dat redelijke toerekening niet betekent dat de rechter van geval tot geval tot een billijk toerekeningsoordeel komt, maar, integendeel, de formule van de redelijke toerekening
“(…) aan rechtspraak en wetenschap ‘een reële mogelijkheid geeft de schadegevallen en schadecategorieën in te delen in categorieën waartussen kan worden gedifferentieerd door het ontwerpen van aan iedere categorie aangepaste regels’“.2
Volgens Brunner was het nodig voor verschillende soorten gevallen regels te ontwikkelen zodat houvast verkregen wordt en betere uitkomsten worden bereikt:
“De bevrijding van de causaliteitsvragen uit het dwangbuis van de adequate veroorzaking, heeft alleen goede zin, indien het criterium van de adequate veroorzaking niet vervangen wordt door een nog veel vager criterium dat alles aan het billijkheidsoordeel van de rechter overlaat, maar door de ontwikkeling van een aantal regels voor verschillende soorten van gevallen meer houvast en betere uitkomsten geeft.”3
187. Brunner beoogde aldus te beginnen, waar Köster was opgehouden. Brunner richtte zich daarbij in de eerste plaats op de rechtspraak van de Hoge Raad. Naar zijn mening had de Hoge Raad sinds Waterwingebied Leeuwarden “geheel in lijn met het programma van Köster (…) deelregels voor (…) toerekening (…) opgesteld.”4 Deze regels waren volgens Brunner “van heel algemene aard” en betroffen “de factoren die bij de toerekening een rol spelen en het gewicht dat aan die factoren moet worden toegekend.”5 Deze volgens Brunner door de Hoge Raad gegeven regels luiden:6
Naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is, is toerekening eerder gerechtvaardigd. Omgekeerd is toerekening minder aanvaardbaar naarmate het gevolg uitzonderlijker, abnormaler, minder waarschijnlijk is.
Naarmate het schadelijk gevolg minder verwijderd is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, is toerekening eerder gerechtvaardigd.
De aard der aansprakelijkheid kan meebrengen dat schade ruim dan wel beperkt moet worden toegerekend.
Voor iedere beschermingsnorm kan en moet worden vastgesteld of het doel waarmee zij in het leven is geroepen toerekening van de in concreto gevorderde schade rechtvaardigt.
Verkeers- en veiligheidsnormen die met het oog op de voorkoming van ongevallen zijn opgesteld, rechtvaardigen een ruime toerekening van dood- en letselschade.
Aansprakelijkheid zonder schuld geeft in beginsel aanleiding tot een beperkte toerekening van schade; naarmate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren zwaarder is, is ruimere toerekening van schade meer gerechtvaardigd.
Schade door dood of verwonding wordt eerder toegerekend dan zaakschade, zaakschade eerder dan schade die bestaat in extra kosten en uitgaven, en schade door vermogensverlies eerder dan de derving van winst.
Bij het opstellen van deze deelregels plaatste Brunner – anders dan Köster voor ogen had gestaan7 – de in de twintigste eeuw voor de juridische causaliteit of schadetoerekening gebruikte omstandigheden waarschijnlijkheid en verwijderdheid voorop.8 Köster had bij de schadetoerekening uit willen gaan van de oriëntatiepunten ‘de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust’ en de ‘aard van de schade’. Verder dreef Brunner bij het geven van deze deelregels behoorlijk af van zijn pretentie dat hij de door de Hoge Raad opgestelde deelregels weergeeft.
Het in deze deelregels, naar het lijkt, door Brunner aanwezig geachte continuüm (bijvoorbeeld: “naar mate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren zwaarder is, is ruimere toerekening van schade meer gerechtvaardigd”) wordt in geen van de door Brunner genoemde arresten van de Hoge Raad met zoveel woorden naar voren gebracht. Uit de onderbouwing van de verschillende deelregels blijkt verder, dat onderdelen ervan niet of nauwelijks zijn gebaseerd op jurisprudentie van de Hoge Raad. De regel dat in het geval van een onrechtmatige daad of een wanprestatie waaraan geringe of geen schuld bestaat, in beginsel aanleiding tot beperkte toerekening bestaat, baseerde Brunner op Amercentrale.9 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad over toerekening bij de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1405 (oud) BW van een eigenaar van een bouwwerk. De Hoge Raad oordeelde daarbij uitdrukkelijk dat voor deze aansprakelijkheid andere regels gelden dan bij art. 1401 (oud) BW. Hierom is de vraag welke basis het arrest biedt aan een regel van schadetoerekening in het geval van aansprakelijkheid vanwege een onrechtmatige daad of vanwege een wanprestatie. De door Brunner gegeven regel dat schade door dood of verwonding eerder wordt toegerekend dan zaakschade, wordt niet met jurisprudentie onderbouwd en hetzelfde geldt voor de regel dat gemaakte kosten minder snel dan zaakschade toerekenbaar zijn en gederfde winst vervolgens nog lastiger valt toe te rekenen. Brunner onderbouwde de deelregels, in weerwil van zijn opmerking dat zij van de Hoge Raad afkomstig zijn, op onderdelen vooral aan de hand van wetsbepalingen,10 opvattingen van andere auteurs en summiere rechtsvergelijkende gegevens.
188. Nadat Brunner deze deelregels had geformuleerd, bepleitte hij om voor de beoordeling van toerekenbaarheid van schade een multifactorbenadering te hanteren die “leidt tot meer-minder oordelen voor ieder van de relevante factoren.”11 Afweging van deze deeloordelen moest leiden tot een slotsom over de toerekenbaarheid van de schade. Brunner stelde het volgende schema op waarmee voor iedere relevante factor zo’n meer-minderoordeel kon worden verkregen:12
+
plm.
-
I waarschijnlijkheid
gevolg is normaal, karakteristiek, typisch, niet uitzonderlijk, voor de hand liggend
gevolg is abnormaal, niet karakteristiek, atypisch, uitzonderlijk, buiten de lijn der normale verwachtingen
II verwijderdheid
onmiddellijk, direct, dadelijk gevolg
niet ver verwijderd
ver verwijderd, indirect gevolg
III aard aansprakelijkheid
a. strekking norm
verkeers- en veiligheidsnormen ter bescherming van leven en gezondheid (bijv. Arbeidswet, Veiligheidswet, Stuwadoorswet, Stroomwet, Wegenverkeerswet, Wet Gevaarlijke Werktuigen, Wet Gevaarlijke Stoffen, Kenenergiewet)
strekt norm mede ter voorkoming van zaakschade?
strekt norm mede ter voorkoming van zuivere vermogensschade en van immateriële schade?
b. schuldgraad
schade is opzettelijk toegebracht
schade is aan schuld te wijten
aansprakelijkheid is niet op schuld maar op risico gegrond
c. aard activiteit
schade is veroorzaakt in het kader van de uitoefening van een bedrijf
schade is veroorzaakt in het kader van de uitoefening van een beroep
schade is veroorzaakt in het kader van privéleven van particulieren
IV aard schade
dood en letsel – zaakschade
vermogensschade bestaande in extra kosten en uitgaven
vermogensschade bestaande in het verlies van winstmogelijkheden; immateriële schade
V draagkracht (?)
draagkrachtige laedens, W.A.-verzekering niet draagkrachtige gelaedeerde
niet draagkrachtige laedens, schadeverzekering, draagkrachtige gelaedeerde
In dit schema heeft Brunner de volgens hem door de Hoge Raad gegeven regels verwerkt en tevens enkele regels toegevoegd. Brunner schreef dat het schema “op enkele punten (schuldgraad, soorten schade) (…) enigszins speculatief” is omdat “uitdrukkelijke uitspraken nog ontbreken.”13 De regels over de aard van de activiteit noemde hij “tentatief”.14 Het schema was volgens Brunner
“nog betrekkelijk grofmazig. Het zal ongetwijfeld nog worden verfijnd naarmate meer verschillende soorten gevallen aan de Hoge Raad worden voorgelegd”15
189. Nadat voor ieder van de relevante factoren is bepaald of zij wijzen in de richting van ruimere of beperktere toerekening of een neutrale betekenis hebben, dienen deze deeloordelen te worden afgewogen. Brunner schreef hierover:
“Aan de hand van het schema kan een afweging worden gemaakt, zonder dat daaruit steeds voortvloeit hoe die afweging moet uitvallen indien de relevante factoren in verschillende richtingen wijzen.”16
190. Kennelijk realiseerde Brunner zich dat met deze multifactorbenadering de, door hem noodzakelijk geachte, “houvast”-biedende regels voor verschillende soorten gevallen nog niet gegeven waren. Brunner liet het ontwikkelen van die regels aan de rechtspraak over:
“In de rechtspraak moet die afweging [van factoren uit het schema] leiden tot min of meer handzame regels voor categorieën van gevallen en van schade.”17
Brunner heeft zijn regels aldus kennelijk slechts als tussenstation bedoeld op weg naar een eindstation waar, zoals dat ook Köster voor ogen stond, categorieën van gevallen worden onderscheiden en de toerekeningsvraag zich in elke categorie laat oplossen met een handzame, houvast biedende regel.